‘Hoe veel geld wil u besteden?’ De oude man, met artistiek golvend wit haar, vraagt het op de man af. Geen onlogische vraag voor een verkoper, die daarna een gepast voorstel kan doen aan de klant. Maar in deze setting is het toch wat raar. Het is de eerste vraag die hij stelt. En hij stelt ze, een voor een, aan een tiental klanten die hij in een halve cirkel rond zich verzameld heeft. We staan in een speciaalzaak voor HIFI apparatuur – overigens niet eens zo groot maar je voelt wel dat hier enkel kwaliteit verkocht wordt. Goedkope spullen staan hier niet in de etalage.
Sylvain verkoopt geluidsinstallaties en is eind jaren tachtig een levende legende in Hasselt. Hoewel hij uit Sint-Truiden komt, heb ik gehoord. Meteen als je hem ziet, voel je dat hij passie uitstraalt voor muziek. Vandaar ook dat hij weg komt met zijn vraag: een voor een geven de klanten antwoord. Loud and clear, voor de hele groep. Het had onbeschoft of confronterend kunnen zijn van zijn kant, of gênant of opschepperig van onze kant. Niks van dat alles. Als een collectieve biecht gooien we gewoon in de groep welk bedrag we willen ophoesten voor een installatie of voor een component. Ik ben nog maar pas getrouwd en aan het begin van mijn carrière, mijn bedrag zit wat aan de lage kant.
Dat slaat Sylvain niet uit het lood. Ja, het valt nog binnen de grenzen om enige kwaliteit in huis te halen. Ook voor mij heeft hij iets! Weliswaar: de man van middelbare leeftijd, die een driedubbel bedrag genoemd heeft, zal een ‘hoorbaar betere’ installatie in de wacht slepen. Dat gaat hij meteen demonstreren. Avanti, presto! Er zijn nu genoeg klanten in de zaak. Hij houdt ze als groep in de ban. Let the show begin. Hij heeft een aantal installaties aangesloten, met verschillende groottes van luidsprekers. Hij dirigeert zelfzeker het geluid, hij zal eenzelfde muziekflard afspelen, op een variatie aan klankmachines. Enthousiast, soms met veel woorden, maar hij laat vooral de muziek spreken.
We hebben op een stoel plaatsgenomen en luisteren, al dan niet met de ogen gesloten. Hij speelt een stukje klassiek. Een stukje modern. De intro van ‘Fast Car’ van Tracy Chapman, die begint met enkele zachte drumslagen, alvorens de gitaar en zang de hele song overnemen. Je hoort de inleidende noten nauwelijks op een simpel apparaat; ze waren me eerder nooit opgevallen. Ze grijpen je meteen naar de keel op een grote installatie en dito luidsprekers, op enig vermogen afgespeeld. Twee seconden diepte, die meteen de toon zetten en respect afdwingen voor dit meesterstuk. Een werk dat verborgen pareltjes in zich draagt, dat pas echt tot zijn recht komt op een stevig uitgerust instrument.
‘Hoorbaar beter’. Het is zijn adagio. Het gaat met stapjes. Je hoeft daarom niet naar de absolute top te gaan; elk stapje levert al een bijdrage. Onuitgesproken de uitnodiging om na te denken: iets meer geld uitgeven… en dan ook weer iets betere kwaliteit in huis halen? Tot waar ga ik? Passie voor muziek, en passie voor business! Nou, soms valt hij even door de mand. Een CD-speler van 12.500 frank – ja, we waren nog in het pre-euro-tijdperk – zou ‘hoorbaar beter’ zijn dan de CD-speler van 10.000 frank van hetzelfde merk. Omdat de technische documentatie er langs ligt, zie ik dat het niet klopt. De specificaties zijn precies hetzelfde; bij de ene kan je wel de afspeelvolgorde van de nummers programmeren, bij het andere niet.
Ook hier komt hij mee weg bij mij. Ik vergeef het hem, in zijn enthousiasme. Want hij vertelt met passie, hoor. Over hoe hij eerst twijfelde bij de opkomst van de CD: de dynamiek van een CD was veel te groot, vond hij eerst. Van bijna onhoorbaar tot snoeihard, van brommend diep tot fiedelhoog, alles kon plots glashelder in één ademteug verenigd worden en dat was te veel van het goede. Dacht hij. Hij was overstag gegaan. Hij legt uit, in een kom sprekend die hij met twee handen vormde, waarom een koptelefoon niet helemaal gesloten mocht zijn: de klank werd er te veel in gevangen. Nog meer enthousiaste uitleg. Die man kent iets van muziek en van weergave-apparatuur.
Ik ben ook even in een andere zaak geweest. Zo’n familiale elektrozaak waar je ook stofzuigers, waterkokers en TV’s kon kopen, en die ook een afdeling had voor radiootjes en groter stereo-materiaal. Geen Vandenborre of Media-markt, die waren er toen nog niet. Als ik zeg dat ik voor een stereo-installatie kom, troont de jonge verkoper me meteen mee en presenteert mij vlot zo’n geval dat van ver op een stereotoren met losse componenten lijkt, maar in feite één geheel vormt. Goedkope brol. Als ik duidelijk maak dat ik voor losse componenten wil kiezen, is hij van zijn melk.
Ik weet wel waarom. Ik zie er op zijn weekends uit: een comfortabele training – toen in de mode als vrijetijdskledij – en een ongeschoren gezicht. Hoewel mijn kleding ongetwijfeld proper is, moet ik een wat sjofele indruk maken op hem. Het siert hem als verkoper, dat hij mij wil hoeden voor onverantwoorde uitgaven en me wil bewaren voor het bankroet. Als ik bij dit toestel zou blijven, zou ik veel goedkoper uit zijn. Maar ja, losse componenten heeft hij natuurlijk ook wel, als ik dat wil.
Veel moeite doet hij echter niet meer. Ik voel hem bijleren, waar ik bij sta. Hij voelt dat zijn inschattingsfout een stuk beledigend is. Alsof iemand in een training en met een ongeschoren gezicht automatisch een meelijwekkende sloeber is van ten hoogste drieduizend frank, zeker geen gerespecteerd muziekliefhebber van tienduizend of méér. Misschien zal hij in het vervolg ook eerst naar het budget vragen, zij het discreet en individueel.
Ik heb bij Sylvain gekocht. Ik ben niet failliet gegaan. Sommige componenten van de stereo doen het dertig jaar later nog altijd.
