Kunnen spreken

Nu, met die collega, iets drinken na het werk.

Even knusjes onder ons, de avond is prachtig.

Ik kon het nooit zeggen, ’t was nog te heftig.

Nu, met die collega, iets drinken na het werk.

En woorden als balsem blijven haar merk:

‘Was jij verliefd op mij? Echt wel geweldig.’

Nu, met die collega, iets drinken na het werk.

Even knusjes onder ons, de avond is prachtig.

 

(in ander blogbericht heb ik dit uitgewerkt tot een kortverhaaltje met als titel ‘Katrien’)

De zee en ik

2019 Cadzand bewerkt (34 van 43)

 

Hier op het strand stopt het.

Geen grommende auto’s tussen betonnen klankkasten.

Geen straten, huizen, plichten, taken – het land ligt achter mij.

Het is al weg. Ook zelfs bijna het geraas in mijn hoofd.

 

Voor mij: caleidoscopische lucht, nadrukkelijke wind, weidse wolken.

Golven spoelen in hun ritme en ruisen hun schuimende vingers.

Stille schelpjes en krijsende meeuwen getuigen van de verte.

Zon op mijn huid, wind op mijn wang, voeten in het zand.

 

De zee is wat ze is. Nu wat grijs en kabbelend rustig.

Ik weet de andere gedaanten die ze in zich houdt.

Soms kille mist, of zomerse sprankeling, of ziedend zilt.

Zo veel ligt vervat in dit zand, in deze wiegende zee.

 

De zee en ik. We kennen elkaar. Indringende zwemtochten.

Zout op mijn huid, stoeien in de golven bij windkracht zes.

Momenten uit de eeuwigheid. Stukjes van de oneindigheid. Maar

zo intens! De golfslag ontvoert bruisend mijn mijmerende hoofd.

 

‘t Is goed terug te keren naar water, zand en lucht.

Hier is meer oer-natuur dan elders, licht en zwaar tesamen.

Hier. Hier vind ik rust en kom ik los van wat mij vasthield.

Hier. Ik sluit mijn ogen en laat gaan – ook een traan.

 

Er verandert iets, een eerste stap. Ik open mijn ogen en laat komen.

Schier moeiteloos, gegrepen door de weidsheid, door de horizon.

Hier groeit weer verbinding met moois dat groter is dan mij.

Hier begon het leven. Hier op het strand begint het. Opnieuw.

 

Cadzand, augustus 2019

Kastanjeboom

Elke lente – de hoeveelste nu alweer?

zalig openbarsten, na het donker, na de kou.

En hoe meer ringen in mijn stam, hoe meer

ik van die tintelende lente hou.

 

Jaar na jaar nog meer intens, nog meer bewust,

voel – en ben ik zelf – het keren van ’t seizoen.

Tasten, slurpen, pompen en zwellen vol lust.

Vervuld van uitersten, moeiteloos verzoend:

 

Jubelt mijn hart onrustig en met snelle tik

moet ik bewegen, moet ik doen, moet ik

zoveel, en vooral uitbarsten, uit die cocon.

 

En ook die diepe vrede. Niets nog, dat ik begeer.

Want wijs weten: het volmaakte is niet meer

dan stille staan, en koesteren in de zon.

Janman zag eens borsten hangen

Janman zag eens borsten hangen,

O! als mango’s wel zo groot.

’t Scheen, die puber wou gaan tasten,

Schoon zijn vader ’t hem verbood.

Hier is, zei hij, noch mijn vader,

Noch mijn moeder, die het ziet:

Aan een meid, zo vol geladen,

Wil ik voelen aan haar tiet.

Maar ik wil behoorlijk wezen,

En niet graaien; ik loop heen.

Zou ik om een hand vol borsten

Een # MeToo riskeren? Neen!

Voort ging Janman, maar het meisje,

Dat hem stil beluisterd had,

Kwam hem in het donker tegen

Vanachter in de cinema.

Kom mijn Janman, zei het meisje,

Kom mijn kleine hartedief!

U zal ik mijn borsten gunnen,

Nu heb ik mijn Janman lief.

Daarop liet z’haar toeters schudden,

Janman gaapte gretig “top!”

Janman kreeg zijn hand vol boezem,

En zijn hart ging in galop.

(dit is een puberaal-humoristische parodie op het gedicht “Jantje zag eens pruimen hangen”, in opdracht van de schrijfopleiding)