De meester geeft zich bloot

Ja, ik heb gehuild, die eerste dag van het eerste leerjaar. Op de speelplaats van de “Vrije lagere jongensschool”, voor het begin van de klas. Gewoon omdat het er zo anders was, zo nieuw, zo onduidelijk, zo druk, zo onzeker. We stonden met zijn allen op die speelplaats, werden aan ons lot overgelaten. Na een tijdje moesten we ons in rijen opstellen, zelf maar uitzoeken waar we bij moesten gaan staan, of had ik de naamafroeping niet gehoord? Een oudere jongen hielp me. Hij kwam gewoon naar me toe, toen hij mijn tranen zag, en vroeg me in welke klas ik zat. Wat ik gelukkig onthouden had van wat mijn moeder me ingeprent had. Ik snotterde: “Bij meester Van de Broek”. Die jongen, zelf nog een kind, loodste me zonder veel verdere omhaal naar de juiste rij.

Vergeet even de huidige klassen met hun werkhoeken en rijke leermaterialen. We kwamen in een oer-klassieke klas, nog vrij nieuw en met grote glaspartijen. Enkel drie rijen banken die aan elkaar waren vastgeklonken. Grijs metalen kader, grijze formica werkbladen met zwarte uitsparingen waarin inktpotten waren ingebouwd. Ja, we schreven met stylo’s “BIC” maar soms ook met krassende en roestende pennetjes die we in de inkt moesten dopen. Er hingen wat kleurige platen, tussen houten stokken uitgerold tegen de muur. Wat biologie en Bijbelse taferelen die wel indruk op me maakten, met hun exotische landschappen en gewaden. Dat was het. Al de rest moest van de meester komen.

En dan begon het… misschien is avontuur niet het juiste woord, of toch? Nieuwe dingen leren, telkens weer, kleine stapjes. De eerste woordjes lezen en schrijven op schoon-schrift-papier. Ik denk dat het “jan en zus” was. ’s Avonds thuis nog eens oefenen. Eerste rekenoefeningen. Het werkelijkheidsonderricht, over de herfst en over wat er vroeger gebeurd was. Ik was gefascineerd door het bord, waar de meester met enkele lijntjes een leuk mannetje tekende, waaraan hij zijn uitleg ophing. Hij maakte kleine verhaaltjes als basis voor een rekenvraagstukje. Soms deed hij leuke dingen in de klas, waarbij me zeker de goocheltrucs bijblijven die hij een keer deed.

Een keer maar. Verder was het vaak zo saai, vooral het stompzinnige repeteren voor de eerste communie in mei van dat eerste leerjaar. Eindeloos liedjes repeteren en ter communie gaan met oefenhosties. Na de uiteindelijke eucharistieviering was ik vooral fier dat ik de hele tijd vroom en netjes mijn handjes gevouwen gehouden had. In mijn nette pakje, zittend naast mijn ouders. Ik heb niet één lied meegezongen. Toen al wist ik: “ik kan niet zingen”. Ik was ergens wel gefascineerd door het geloof, maar het zou uiteindelijk gewoon van me af glijden.

De sfeer, die was vaak beladen, gespannen en donker, ondanks het vele glas. Er hing dikwijls een spanning in de lucht die dat hele eerste leerjaar domineerde. Kadaverdiscipline is een zwaar woord, maar toch… We werden hard aangepakt. Neen, we zitten niet meer in de kleuterklas! Niet spelen. Leren! Nu het volgende woord! Rekenen! Nu! Zin of geen zin! Geen grappen maken of jolig zijn! Geen weerspannigheid! Luisteren! Bij de les blijven! Geen domme fouten maken! Een tweede keer uitleggen kan wel, maar dan moet je het echt wel begrepen hebben! Vooruit! Ook ik had het moeilijk. Kwam daarbij dat ik nog eens drie weken school miste wegens geelzucht.

Regelmatig kreeg er iemand, die te stout of te dom geweest was, van de lat. De houten meter waarmee de meester lijnen trok op het bord, diende dan als strafwerktuig. In zijn ene hand nam de meester het uiteinde van zijn meter vast. In zijn andere hand hield hij het jongetje bij de arm. Na elke mep dribbelde de jongen telkens een paar pasjes vooruit. Een effect van de slag zelf, en onwillekeurig ook om weg te trippelen van de pijn en van de volgende klap… Maar de meester volgde de beweging, wat een weinig sierlijke pirouette opleverde van langzaam schoksgewijze gedraaide rondjes. De doodse stilte werd ritmisch onderbroken door het zwepend kletsen van de lat. Het duurde tot de meester het welletjes vond. Of tot het jongetje in zijn broek begon te plassen; ook dan stopte de afstraffing.

Ja, ik heb gelachen, die laatste dag van het eerste leerjaar. We hebben allemaal gelachen! Plots was het einde juni, de laatste namiddag. We zaten  samen in de klas. Geen feestje, dat deden ze toen nog niet, of die meester tenminste niet. Iedereen was ongebruikelijk gemoedelijk, ook de meester was helemaal ontspannen. We hadden een belangrijke horde genomen. Het eerste leerjaar was volbracht. Niets meer te leren, niets meer te doen. Alle spanning was weg, enkel nog wat babbelen, meester met de jongens, jongens met de meester. Volkomen vrolijk, zelfs een beetje uitgelaten.

Onze meester vertrouwde ons plots toe, zo’n zeldzame kwinkslag met een ernstige ondertoon: “En dan moet je weten dat hier binnenkort weer een nieuwe bende kleutertjes binnenstapt, die NIETS weten, niet kunnen lezen of rekenen, en ik moet daar weer mee aan de slag!” Algemene hilariteit. Dat vonden we ongelooflijk grappig! We moesten allemaal uitgelaten lachen, bij dat beeld van die kleine onnozele snottertjes die hier binnen zouden drentelen, nog handje in handje. O, wat voelden wij ons al groot!

De meester en ik, we keken elkaar even in de ogen. Een indringend moment, waar ik stil van werd, tussen al die joligheid. Het was zo’n zeldzaam moment in mijn vroege kinderjaren waarop ik zag wat een volwassen man bezig houdt… en wat hij lijden moet. Ja, in een plotse bui gaf hij zich bloot: zijn lasten en zijn angsten. Telkens weer van nul moeten beginnen, elk jaar opnieuw. Op punt A staan, en koste wat kost op punt B moeten geraken. Dat moment. Als kind kon ik toen die spanning vatten, die zo vaak in de klas gehangen had. Wat voelde ik die tragiek bij mijn onderwijzer! De meester en ik, we mochten elkaar wel. En nu voelde ik een liefde die ik niet kon uiten, voor een man wiens gebreken ik graag vergaf.

Plaats een reactie