De Sjottembal van Tante Nonneke

Mensen van onze generatie hadden nog tante nonnekes en nonkel paters. Het moet begin de jaren 70 geweest zijn. Er was een nonkel pater in de Congo. Veel weet ik niet over hem. Ik herinner mij een foto: wit missionaris-sikje, een lange leren jas, poserend bij een toen al ouderwetse tweedekker. Want zo werden soms de verre verplaatsingen gemaakt, als er geen goede (water)wegen waren. Er was verder nog een redelijk tof tante nonneke dat kleuterleidster was.

En een oud klein gerimpeld krom nonneke dat iets onduidelijks deed in een klooster in Antwerpen. Onveranderlijk in het zwart gekleed, met nonnenkapje en kruisje aan een ketting. Eentje dat mogelijk moeilijk aan een man geraakte, en waarvoor het klooster in die tijd nog een eervolle, zelfs enigszins standingvolle uitweg bood.


Ze kwam een of twee keer per jaar logeren bij mijn oma en opa, en ging dan op ronde bij de familie. Daarbij kwam ze telkens ook langs bij ons thuis; we woonden maar enkele honderden meters verder. Ik was een stille jongen, die vaak bij de volwassenen bleef zitten, luisterend en observerend, als mijn broertjes weer waren gaan spelen. Ik zag vaak hetzelfde patroon opduiken bij haar bezoek.
Tante Nonneke kwam achterom, waarna een wat overdreven vriendelijke begroeting volgde. Alsof haar komst een complete verrassing was en een bijzonder heuglijke gebeurtenis. Natuurlijk waren mijn broers en ik weer erg groot geworden. Daarna werd er nog even over koetjes en kalfjes gepraat. Wat materiële dingen des levens.

Snel ging het over naar serieuze zaken. Over de tijd van nu, dat de mensen niet meer deugden, dat de opvattingen veranderden, dat nu zo maar van alles mocht en kon. Impliciet werd bedoeld: wij zijn nog bij de goeden, wij echtscheiden niet, wij kleden ons zedig, voeden onze kinderen nog op, wij gaan naar de kerk en naar de katholieke school. En doen geen tegennatuurlijke dingen.

Als er naar de toekomst gekeken werd, dat we later goede studies zouden doen, of dat we lang en gezond mochten leven, dan voegde ze er snel aan toe “als ‘t God belieft”. Minstens een paar keer in elk gesprek. Dat werd op een bestraffende toon en met een veelzeggende blik uitgesproken. Wij gewone mensen vergeten zo iets! Zij, als nonneke, bracht het ons in herinnering: we mochten vooral niet denken dat we zelf alles konden bepalen. Als God het wil, anders niet!

Verder werd er niet zo veel over die allerhoogste gezegd. Nadat mijn ouders en tante nonneke elkaar nog eens uitgebreid bevestigd hadden in de goede opvattingen en rechte lijn, ging mijn vader het envelopje met geld halen dat klaarlag. Tante nonneke stak dat meteen weg om mee te nemen “voor het klooster”. Hoe ze ervoor bedankte weet ik niet meer, maar na de financiële transactie was het gesprek meestal snel afgelopen.

Op een keer, toen we aan het voetballen waren bij haar aankomst, deed ze een enthousiaste belofte. Voor een keer schitterden haar ogen, toen ze ons beloofde dat ze volgende keer “ne grote schone sjottembal” mee zou brengen. Dat maakte wel indruk op ons. Wij voetbalden gewoon, en sjotten leek ons echt wel bijzonder, zeg maar een niveau hoger. Wij deden het met gewone plastieken ballen, en bij die belofte verhoopten we in stilte dat het een bal zou zijn van leder, zoals bij een echte voetbalploeg.

En ja, nog een half jaar later of zo: een plastic zak. Meteen zagen we: niet echt groot. Ongelooflijk teleurgesteld waren we, toen ze hem toonde. Een compleet vernacheld plastic balletje. Zelfs nog iets kleiner dan onze voetballen, en niet eens rond – een uitgestulpt ei! Dat ding was gewoon vervormd door te veel uren in de brandende zon. Een vettige goot of vuile plas was duidelijk de verblijfplaats geweest. Dat ding was snel wat afgewassen, maar het vuil zat onuitwisbaar in de verweerde poriën. Het properste was nog de onderste tien procent die voortdurend in het water gelegen had. We waren al oud en wijs genoeg om kort maar beleefd te bedanken.

Waarna het gesprek weer in het gewone patroon verviel. En toen overkwam mij de tweede, en misschien nog grotere teleurstelling. Tante Nonneke vertelde het verhaal rond de sjottembal, aan mijn ouders… en ik luisterde stilletjes mee. Het klooster lag in de stad, en de kinderen in de buurt voetbalden op straat. Naast het klooster. Er vloog al eens een bal over de kloostermuur. “Die geven we natuurlijk niet terug.”

Ik weet niet meer hoe oud ik precies was; een jaar of twaalf? De grond zakte onder me weg. De bal kwam voor mij in een afstotelijk daglicht te staan. Ik zag die arme stadskinderen al voor me. Wij hadden een ruime tuin om te spelen en te voetballen. In de herfst, als het koren gemaaid was op de velden, hadden we hectaren ruimte om te vliegeren en te ravotten. Dat hadden die kinderen niet. En wee als er een bal verkeerd belandde: dan was hij voor altijd verloren, ingepikt door die strenge nonnen! Schoonst van al: die gingen elders in het land goede sier maken met de buit! Kijk eens: cadeau van onze grote welwillendheid!

Kortom: ontluisterend. De kiem was gelegd, de kiem van wantrouwen tegenover die mannen of vrouwen die net iets anders gekleed waren als de doorsnee burger. Tegenover diegenen met een kruisje rond hun nek, dat hen een bijzondere positie toekende boven de andere mensen. Neen, die waren niet per definitie vervuld van zuiverheid en schoonheid, en op weg naar heiligheid. Je kon bij hen hartelijkheid en goedheid voelen, maar soms ook lage stompzinnigheid.

Waarom ze dat zo maar vertelde, zeg maar: toegaf? Was het ter vergoelijking dat het eigenlijk toch niet zo’n goede bal was, wat ze in een moment van helderheid toch moest beseffen? Was het een beetje uit behoefte aan een biecht? Alleszins: mijn ouders bleven in de sfeer van elkaar goedkeuren en ondersteunen. Mijn vader gaf haar de absolutie: “Natuurlijk hoeft ge die ballen niet terug te geven aan die ambetante stadskinderen. Die moeten maar uitkijken!” Gelukkig zei hij dat pas na een moment van gênante stilte. Dat moment, hoe kort ook, maakte het walglijke tafereel enigszins draaglijk voor mij.

Plaats een reactie