Hier zweet ik nie, zunne

“Hier zweet ik nie, zunne”, zegt de oude vrouw hardop, met een Kempens of Antwerps accent. Of liever: klaagt de oude vrouw luidop, want het klinkt verwijtend, alsof ze zich bekocht voelt. En ook wat hulpeloos, smekend, om bevestiging bedelend. Enige uitleg is wel op zijn plaats: we zijn in de zoutsteensauna van Hezemeer. Een rond gewelf met sfeervol rose licht en comfortabele ligkussens: uniek en gezellig! Maar inderdaad niet de heetste sauna van het centrum: je moet er wat langer in blijven vooraleer de warmte je lijf helemaal overwelmt.

Dat geduld heeft ze niet – ze stelt het concept niet erg op prijs. Ik zag haar zitten toen ik me installeerde. De saunagangers laten doorgaans met gesloten ogen de warmte en de ontspanning tot zich komen. Liggend op de heerlijke kussens. Zij zit rechtop, kijkt wakker en ontevreden rond. Haar man is er blijkbaar ook; ik veronderstel tenminste dat ze tegen hem klaagt. Ze liggen niet naast elkaar. Zelfs niet vlak bij elkaar. Was er weinig keuze en hebben ze ieder noodgedwongen een plekje moeten opzoeken wat verder van elkaar? Of hebben ze er voor gekozen om even wat afstand te houden?

Screenshot_2018-12-31 Zoutsteensauna Hezemeer

Het is een stilte-sauna, dus ze zou niet mogen praten. Ze is nog altijd niet “zen” en mort opnieuw tegen haar man, tamelijk luid omdat hij iets verder ligt. Waardoor alle aanwezigen kunnen meeluisteren met haar klaagzang. “Zullen we teruggaan naar waar mijn bril ligt?” Nu reageert haar man voor het eerst. Heel wat stiller dan zij. Een niet erg toeschietelijk brommen: “We zijn hier nog maar pas.” Stilte. Als de rust teruggekeerd is, jammert ze dat het hier naar het zweet stinkt. Anderen zweten dus wel, maar zij is speciaal en heeft méér nodig. Geen antwoord. Stilte. Opnieuw weeklaagt ze: “Zullen we er niet uit gaan?” Opnieuw geen antwoord: hij heeft duidelijk nog geen zin om te vertrekken. Stilte. Wat later nog een mopper-rondje waarvan ik me de woorden niet herinner. Geen reactie.

De oude vrouw zegt dat ze weg gaat en voegt de daad bij het woord. Ze komt langs me door; ik kijk even op als ze passeert en zie dat ze wellicht nog ouder is dan ik aanvankelijk ingeschat had. Haar kont is uitgezakt en ingevallen. Haar zwemband zit op een rare plaats, niet rond haar buik maar laag rond haar heupen… Haar man mompelt enkel iets, maar volgt haar niet en blijft liggen. Ze sloft langzaam en sukkelachtig. De verlatenheid straalt van haar af en ze loopt een eenzaam moment tegemoet, ergens buiten deze zalige warme plek.

Het is een groot saunacentrum. Ik sauneer, zwem, bubbel, scrub, rust, lees… Er zijn heel wat mensen; het oude koppel zie ik toevallig pas opnieuw aan de uitgang. Het is al avond: tijd om naar huis te gaan. Ze rekenen net voor mij af aan de receptie. Ik zie dat de dag hen beiden deugd heeft gedaan; ze zien er ontspannen uit. Zelfs zij ziet er berustend uit, alsof ze zich weer met het leven verzoend heeft.

De receptioniste vraagt: “Was alles naar wens”? Je voelt ze samen nadenken, zonder naar elkaar te kijken. De man zegt “Alles was goed”, en dan kijkt ze even naar hem. Even trekt een dankbare glimlach over haar gezicht, als een helder moment op een bewolkte dag, zonder dat de zon echt doorbreekt. De man betaalt de rekening, dat is vanzelfsprekend voor hun generatie: het hoort bij hun vertrouwde samenspel. Ze kan het niet laten en werpt een plompe blik op het kassaticket. Er glijdt al een eerste schaduw over haar gezicht: toch wel wat duur…

Dan valt haar in dat ze haar kam vergeten is aan de spiegels op weg naar buiten. Ze heeft weer haar klaaglijke plaat op gezet. Er is niet eens even een gênante aarzeling of een spoor van irritatie: in een reflex zegt hij meteen “ik ga wel efkes terug, wacht hier maar even”. Vanzelfsprekend. Als hij opnieuw de trap naar boven genomen heeft, ook al wat moeizaam in zijn bewegingen, zegt de receptioniste vriendelijk tegen de dame: “Gaat u maar even zitten hoor, daar staan die zeteltjes voor!”. Dat doet ze niet. Ze antwoordt ook niet, met een vleugje vijandigheid bekijkt ze eerst de zeteltjes en daarna slaat ze de ogen neer voor de receptioniste. Je ziet haar denken “Zien ze dat dan niet; die zijn veel te laag voor mij. Daaruit geraak ik nog moeilijk recht.”

De overwegende tevredenheid wordt al dooraderd door een mokkende stemming. Ze zet zich weer schrap voor alle ellende die haar overkomt. Tegelijkertijd glijdt ook een schaduw van schuldgevoel over haar. Ze weet dat ze niet altijd het meest aangename gezelschap is. Hij komt terug, zegt niets, kijkt haar niet aan, steekt de kam bij de handdoeken in de draagtas. Zij zegt niets, dankt hem niet, kijkt hem niet aan. Synchroon en zonder woorden doen ze hun jas dicht en samen gaan ze naar buiten. De man draagt de tassen.

Ze horen bij elkaar. Ze gaan weer verder met hun leven, samen. Hij laat haar niet aan zijn rustige energie vreten. Zij doet haar best – mogelijk heeft ze het recht om wat te pruilen wegens een zwakkere gezondheid of een andere reden. Of is het een gewoonterecht van haar, dat hij heeft leren accepteren? Toch denk ik: het heeft wel iets schattig, dat duo. Ze redden het wel samen, die twee. Tot de dood hen scheidt, zoals dat heet.

Plaats een reactie