Al snorkelend zie ik plots een lang touw, dat als het ware uit de zeebodem groeit. Van een meter of tien diepte tot bijna aan de oppervlakte, waar het uiteengerafelde uiteinde heen en weer wiegt. Als ik het probeer in te halen, merk ik dat het goed vast zit: ik trek mezelf prompt onder water. Een anker dat niet meer los kwam? Zou ik het kunnen opduiken?
Ik was vertrokken van op het zuidelijke kleine en mooie strandje van Tossa De Mar aan de Costa Brava, en maak een zalige zwemtocht. Ik ben een heel stuk verder langs de kust gezwommen met mijn zwemvinnen, duikbril en snorkel. Een vertrouwde crawlslag voert me ver weg van de ordinaire vakantiegangers, hun gejoel, hun strandballen en onhandig geploeter. Regelmatig laat ik me dobberen op de golven met de zon op mijn rug, snorkelen, visjes bekijken, af en toe even onderduiken, dan opkijken en het panorama van de woeste rotskust op me laten inwerken. Nu ik zo ver van het stadje ben, weet ik me helemaal alleen, rond mij de rustige deining van de zee, langs mij de ruwe en desolate rotsen in een vredig spel met de golven, onder mij een relatief vlakke en zanderige bodem.
En dan dus dat touw. Gaan kijken. Enkele malen diep ademhalen en resoluut onderduiken. Maar ik kom niet verder dan goed halverwege. Een ervaren vrijduiker haalt hier zijn neus niet voor op, maar dat ben ik dus niet. Mijn duikbril zuigt zich vast op mijn gezicht, de druk neemt voelbaar toe op heel mijn lijf… en dieper onder water is het beduidend kouder. Kippenvel. De zuiging op mijn ogen kan ik verhelpen door wat lucht bij te blazen uit mijn neus. De rest moet ik verdragen. Dit is erg diep voor mij. Toch zie ik al dat het inderdaad een ankertje is. Een klipanker: de tanden kunnen een stukje scharnieren ten aanzien van de stok. Het gleed in een kuil, klapte open en zit nu hopeloos klem.
Tweede duik. Ik heb wat langer gerust en het lijkt alsof ik al wat meer geoefend ben, zelfs op die korte tijd. De kou, de druk: ik kan er beter mee omgaan en ik geraak tot aan de bodem, bij het anker, maar moet onmiddellijk weer opduiken. Ademnood! Geen tijd om iets te doen, diep daar beneden. Zal het wel lukken? Het is op de limiet voor mij. Bij het opduiken bevangt me bovendien even een dolle paniek, omdat het touw langs mij heen glijdt en me lijkt te omstrengelen. Ik word doodsbang om erin verstrikt te geraken. Dat zou mijn einde betekenen, want veel reserve om te ontwarren heb ik niet. Afstand houden!
Rustig aan. Ademen. Voorbereiden. Bij de derde duik loopt het perfect. Gewoon even met mijn vinger wippen en het anker klapt plat samen, ik trek het los uit het gat en gooi het ernaast, waar het zand opwolkt. Eindelijk naar boven, waar ik buiten adem triomfeer. Het ankertje is mooi. Het is niet zo super oud, geel geverfd maar wat verweerd in het zoute water, zodat de lak niet overal meer dekt. Het is niet zo heel groot, een platte staaf van een centimeter of dertig lang en een body van een centimeter of vijftien breed, met dikke gesmede ronde tanden. Een kilo of vier?

Aan de oppervlakte dobberend, trek ik aan het touw… Mis poes. Het anker is wel los, maar niet gewichtloos zodat het me opnieuw naar beneden trekt. Maar dank zij mijn vinnen kan ik genoeg kracht zetten om alles naar de oppervlakte te halen, waar ik met enige moeite de knopen van het touw lospeuter. Ik ploeter naar de kant om het touw op de rotsen te gooien, bezorgd dat het in de schroeven van de vissersbootjes verstrikt geraakt als ik het laat drijven. Mogelijk is het ankertje door een van deze bootjes uitgegooid en hebben ze het touw moeten doorsnijden omdat ze het niet meer opgetrokken kregen. Bij gebrek aan duiker aan boord.
Ik overweeg het ankertje op de rotsen achter te laten, en het te voet te komen ophalen, maar ik zie nergens een paadje naar boven op deze woeste rotskust, geen huizen, ook geen herkenningspunten… Dan maar de lange en moeizame zwemtocht, enkel op mijn benen: crawl zwemmen met de armen kan niet met een aanzienlijk gewicht aan ijzer in de hand. Het vordert langzaam. Pas na ruim een half uur of zo kom ik aan het strandje, waar de golven me loslaten. Doodmoe, wat afgekoeld, opnieuw wat kippenvel van de kou die in mijn botten doorgedrongen is… maar vooral erg voldaan leg ik me op mijn handdoek neer, tussen de andere vakantiegangers.
Mijn huid warmt weer op door de zonnestralen. Van deze vondst geniet ik enorm. Echt iets authentiek. Ik zie het thuis al ergens tegen de muur hangen, of op de kast liggen. Verweerd, wat roestplekken, authentiek, zelf gevonden, met enige moeite opgedoken en aan land gesleept. Een prachtig souvenir. Wat een mooie vakantie, een mooi verhaal. Ik vertrek: T-shirt aan, zwemtas in de rechterhand en anker in de linker: naar het hotel.
En dan verandert alles. De oude man zit op een stoel, vlak bij de trappen die van het strand oplopen naar het stadje. Spaans, gegroefd gezicht, getaand, klein van stuk, een geklede maar versleten donkere broek, een hemd dat betere tijden gekend heeft. Hij staart gebiologeerd naar het anker. Op dat moment voel ik met zekerheid dat hij me al de hele tijd in het oog gehouden heeft, mogelijk al van toen ik uit het water kwam. Hij kijkt niet naar mij; hij kan zijn ogen niet afwenden van het ankertje. Naarmate ik dichter bij hem kom, voel ik de spanning groeien bij hem. Toch weet ik: hij zal me gewoon doorlaten.
Waarom dus? Ik weet het niet. Ik doe het gewoon, in een flits. Ik geef hem het ankertje, met het weinige Spaans dat ik ken: ‘Esto, en el mar, los pescadores’, iets zoals: ‘Dit lag in de zee, het is van de vissers’. Wat ik eigenlijk niet eens zeker weet, eerder een vermoeden, maar soit. We kijken elkaar nu in de ogen. Hij knikt. ‘Merci’, zegt hij. We spreken niet dezelfde taal, maar we verstaan elkaar. Wat zou er nog méér te zeggen zijn? Ik wandel verder naar het hotel. Verbouwereerd door mijn eigen impulsieve daad. Zonder buit nu, een gemis, iets wat ik niet mee naar huis kan nemen. Toch weet ik op een of andere manier dat het anker terecht zal komen. Het is een klein stadje, iedereen kent iedereen. De oude man zal zeker een visser kennen, misschien zelfs de visser die het kleinood sakkerend heeft moeten achterlaten, daar in zee.
De volgende dag. Ik wandel wat rond op het grote strand. In een hoek liggen wat kleine kleurig geverfde visserssloepen vredig gestrand, het hout verweerd door het vele gebruik. Er liggen wat netten op een stapel in de zon. Het gebeuren van gisteren nog vers in het geheugen wandel ik er naartoe. Enkele visnetten liggen apart; een paar vissers zitten in het warme mulle zand. Met een houten pen halen ze vaardig een draad door de netten om ze te herstellen. Hoe ze het overzicht bewaren in dit kluwen is me een raadsel. Maar ze doen het bedaard en trefzeker.
En dan opnieuw kippenvel, dit keer van de emotie, terwijl ik vol in de warme zon sta. Een van hen is de oude man van gisteren. Hij zelf! Hij is ook visser! Daarom kon hij zijn ogen niet van het ankertje af houden. Hij kon het goed gebruiken… en misschien was het eerder zelfs van hem.
Hij zit in het zand, nu in een oude blauwe broek, pijpen die opgerold zijn tot onder de knieën. Hij gaat helemaal op in zijn verstelwerk en ziet me niet. Ik heb geen behoefte om hem aan te spreken en te gebaren ‘ik ben de man die jou gisteren het ankertje gegeven heeft’. Het hoeft niet. Het valt gewoon allemaal samen. De oude man is rustig bezig met klos en draad, meestal in stilte, soms zegt hij een woord tegen zijn makkers. Hij hoort hier thuis. Het anker ook. Het is goed zo.
