Vogels voor de kat

Ik ga nog eens een frietje steken. Vaak doe ik dat niet, want ik vind een friet met een snack erbij geen volwaardige maaltijd. Wel eens lekker, wat mij betreft met zout en mayonaise – geen zoete frietsaus, waar halen die Hollanders dat? In feite dus gewoon vettige boel. Op het werk eet ik eens in de maand wel eens frietjes, maar dat is dan een kleinere portie bij een volledige maaltijd, dus met soep en groenten. Nu heb ik eens geen zin om thuis te koken en ga ik voor de pure vet-beleving. Straks vol en loom, maar ach, voor die keer…

Er is gelukkig weinig volk. De baas is druk bezig met de vorige bestelling. Toch overvalt mij de sfeer van een wachtkamer. Misschien was er een televisie, die is er altijd, maar ik herinner me die niet. Ik kon mijn ogen niet afhouden van het uitbaters-echtpaar, dat bedaard en druk tegelijk vanalles doet.  Ik word niet gegroet. De baas roert voortdurend in het vet, kuist de randen van de bruisende frietketels met een stuk keukenpapier, legt dingen juist, verschuift de voorgebakken frieten met resolute halen in de bak bovenin, is druk bezig met allerlei ongetwijfeld nuttige dingen, en vult vooral de leegte met zijn drukke bewegingen. Zonder productie te maken in de echte zin van het woord.

Er is een vrouw voor mij. En net als ik binnen ben, komt er nog een vrouw achter mij staan. Geen rijtje, we staan een stuk naast elkaar, maar de afstand tot de toog weerspiegelt perfect de volgorde waarin we aanvaard hebben aan de beurt te komen. De bestelling van mijn voorgangster is niet groot: twee frieten en nog wat ‘vlees’. Het order werd genoteerd door de echtgenote en in het frietvet gegooid, waar de man er zich verder mee bezig zal houden. Dan is het wachten. Wachten tot de frieten en het ‘vlees’ klaar zijn, uitgeschept, opgeschud, in bakjes geschept, ingepakt, overhandigd. Dan pas wendt de vrouw zich tot mij.

Een frietje dus en een portie kippenvleugels. Om hier op te eten, want frieten moet je niet verpakt vervoeren maar krokant en vers van de pers opeten. Ook die bestelling gaat het frietvet in. Ik voel de vrouw naast mij verstijven. Ja hoor, ze moet wachten tot ook mijn ene portie frieten sissend uit het vet komt en in hapklare verpakking geschept is. Wellicht zitten haar man en kinderen thuis te wachten en giert de stress en frustratie door haar lijf. Verkrampt vraagt ze zich af: kan dat hier echt niet sneller?

Neen dus. Pas als mijn kippenvleugels klaar zijn, gaat de aandacht naar haar. Klant voor klant, stap voor stap, in een geduldige monotonie, van stress hebben ze hier nog nooit gehoord. Van enige mildering is ook geen sprake. Ze spreken niet met de klanten. Niets vult de leegte, geen oogcontact, babbel, roddel of zelfs maar het weer. Enkel het borrelende frietvet, het rammelen van de frietjes als ze opgeschud worden, de bakgeur, de sfeerverlichting. Voor hen is een frituur uitbaten: correct afbakken en uitscheppen, netjes en met liefde voor de patat. Einde verhaal.

Binnenkort heropent een andere frituur, honderd meter verder. Met de slakkengang van zaken hier, zal deze frituur daarna met een rotvaart dicht gaan,  Ze bedoelen het wellicht goed, maar horeca behoeft naast ‘goede’ producten ook klantencontact en organisatie. Ik voel geen van beide laatste. Vogel voor de kat, met de nieuwe zaak voor de deur, bemand door jongere, gretiger mensen. Al houdt dit echtpaar wellicht nog een tijd vast aan hun gewoonten, teren ze misschien nog wat op hun plichtsgevoel, op enkele trouwe klanten en op de hoop dat het ooit weer beter wordt. Misschien kunnen ze het nog uithouden tot hun pensioen. Al betwijfel ik dat.

Als ik zit te eten, komt een fors gebouwd echtpaar binnen, met een dik meisje. Het meisje heeft een opgeblazen bolrond gezicht en een mollig lijf. Hoe oud kan ze zijn? Een jaar of negen? Morbide obesitas, suikerziekte, pestgedrag en minderwaardigheidsgevoelens liggen op de loer. Ze krijgt onmiddellijk een blikje Sprite, om snel haar hunker naar calorieën al een beetje te stillen. Om alvast te beginnen met het vullen, het vervetten en het uitdeinen, waar ze vandaag weer volop aan meedoen. Ze gaan aan een tafeltje zitten: ze gaan ook hier eten. Zonder veel te zeggen. Waarover zouden ze spreken? Ze hebben weinig hoop meer. Ze wachten samen. Ze zitten samen dik te zijn. Ook zij zijn vogels voor de kat.

Gelukkig ben ik weg nog voor zij hun frieten hebben gekregen. Ik hoef ze niet te zien schransen. De tristesse van de Vlaamse frietcultuur. Ik ben er weer een hele tijd van genezen.

Plaats een reactie