Die ene vrouw
Haar zien. Mijn hart zwaar voelen worden, en voelen hoe het smeltend warm uitvloeit naar mijn hele lijf. Telkens weer stil worden, als bomen die plots onder een stolp komen, weer en wind hebben geen vat meer. Als Katrien binnenkomt op de vergadering, verzeilt het onderwerp naar het tweede plan. De andere collega’s krijgen bijrollen. Ik zoek graag een plekje tegenover haar, dan heb ik die magneet de hele tijd in zicht.
De eerste keer zag ik haar op mijn bureau. Een gewoon jong meisje kwam even binnen, stelde zich kort voor als de nieuwe collega en liep na een korte babbel weer buiten. Meteen had ik het gevoel: ja, dat zit goed, die mag ik wel. De tweede keer vond ik haar lief. De derde keer, nog geen week later, besefte ik: Rik, ge hebt het zitten, jong. Vijftien jaar niet meer verliefd geweest, vijftien jaar kale woestijn, en dan die levendige oase met klaterend beekje.
Katrien heeft ogen waarin ik verdrink zonder de kleur te kunnen bepalen. Warm grijsbruin komt het dichtst in de buurt. Normaal gebouwd, stevig gezicht met ronde neusgaten en zachte oorlellen – geen modepoppetje. Een klemmetje dwingt haar kastanjebruine haar in een glanzende paardenstaart die danst tot net onder haar schouders. Ze draagt jeans en een simpel T-shirt of een trui waaronder haar borsten zachtjes wiegen.
Ze is zo’n vrouw die je waardeert om wat ze is, niet om wat ze draagt. Ik luister graag naar haar diepe stem en haar stopwoordje ‘man man man…’. Katrien is een heerlijke mengeling van eenvoud, opgewektheid en no nonsense mentaliteit. Prachtig hoe ze blijgezind haar mening zegt. Ze kent haar zaken, argumenteert bekwaam en is collegiaal bereid om haar mening bij te stellen als iemand iets bijdraagt waar ze nog niet aan gedacht heeft.
Ze heeft een zelden geziene mengeling van zelfzekerheid en kwetsbaarheid. Ze is ontwapenend. Ze is naturel en spontaan op een rustige manier. Ze is populair in de groep. Iedereen mag haar. Er draaien nog wel meer mannen om haar heen. Katrien lokt kwinkslagen uit bij anderen, waar ze zelf weer sprankelend op reageert. Ook een brunette kan het licht zijn in huis, het zonnetje in de groep, de ster van het gezelschap.
Ik kan me niet voorstellen hoe het zou zijn om met haar te vrijen: er is die afstand. Dat ik het platonisch wil houden met deze jonge collega is ook niet helemaal waar. Ze kijkt niet in mijn richting, maar welke intimiteit is wel mogelijk tussen ons? Kan ik haar een knuffel geven? We zijn beiden dol op sauna; zou ze dicht genoeg bij mij staan om samen te gaan? En met een klein hartje: heb ik van mijn kant genoeg zelfvertrouwen om me bloot te geven aan haar?
Denk je dat verliefd zijn heerlijk is? Reken maar. Zelfs al is het een perspectiefloze verliefdheid, ik slaag er vaak in om te genieten van het moment, van het gevoel voor haar. Mijn levensboek krijgt er ongevraagd een heerlijk lang boeiend hoofdstuk bij. Ze haalt het beste in mij naar boven. Mijn leven was een koel troebel Noordzeestrand. Het verandert in een zinderende mediterrane rotskust. Er schuilt zoveel moois in de diepte van het heldere water.
Onnozelaar! Gelooft ge nu echt dat verliefd zijn zalig is? Vergeet het maar. Het is een marteling. Me afvragen waarom. Waarom nu? Waarom zij, net zij? Wat zegt dit over mij? Niet weten wat ik er mee moet. Voelen dat ze mij mag, maar ze kijkt niet mijn kant op. Wie ben ik voor haar? Wie ben ik überhaupt voor anderen? Ben ik aantrekkelijk? Hoe staat zij in het leven? Hoe sta ik in het leven? In die periode ben ik in gedachten veel meer bezig met Katrien dan met wie dan ook. Meer dan met mijn vrouw. Meer dan met mijn kinderen. Ik lijk wel van de ankers geslagen.
Mijn levenspuzzel leek mooi strak en vlak gelegd, maar de stukken worden grotesk vervormd en passen niet meer. Er komen barsten en reten. De stukken duwen elkaar omhoog en staan als ezelsoren overeind. Ach, ik hou het net, maar nog een beetje meer wind had grote kale plekken in het tafereel achtergelaten. Een stevige klap op tafel had alles los gedrild.
Als ik alles bij elkaar optel? Laten we het er op houden dat het een intense periode was. Een van de meest rijke van mijn leven. Vreselijk intens. Vreselijk uitputtend. Emotioneel belastend. Nachtenlang wakker liggen. Dit is niet houdbaar. Gelukkig zit de natuur goed in elkaar. De anatomie van een mens is een wonder. De anatomie van een verliefdheid leert dat die negen maanden duurt. En dan rustiger wordt. Een beetje rust wordt genade.
Die ene vraag
In de tijd daarvoor was het die ene vraag die me bezighield. Ach, ze weet wel dat in haar graag mag. Dat maak ik haar wel duidelijk, zonder het er te dik op te leggen. Maar hoe vertel ik dat het dieper gaat? Welke gelegenheid zoek ik? Hoe kan ik het zeggen? Zo dikwijls heb ik mijn verhaal klaar. Dat ik mijn wezen bij haar herken en dat ze mij inspireert door de manier waarop ze met het leven omgaat. Ik heb het ontelbaar eindeloos in mijn hoofd herhaald, ’s avonds in bed, en overdag, zeg maar vierentwintig op vierentwintig.
Correctie. Die ene vraag luidde: al bij al, kan ik het haar wel vertellen? Het duiveltje in mij zegt: natuurlijk moet je dat doen. Het leven is al zo kort, waarom het niet uitspreken? Dat kan toch, tegenwoordig. Wees nu eens spontaan en authentiek. Niets mooier dan de liefde, zelfs al is het niet wederzijds. Het is toch vleiend, om graag gezien te worden.
Maar het lag natuurlijk net iets ingewikkelder.
Ik ben dus getrouwd, ik heb al kinderen. Kan ik dan nog vrijelijk zeggen tegen iemand van het andere geslacht: ik ben helemaal stapel op jou? Ja, ik kan trouw zijn aan mijn vrouw en iemand anders super graag zien, zonder met haar van bil te gaan. Maar een getrouwde vent die zijn liefde voor een jong meisje bekent, is dat niet een stuk pathetisch en meelijwekkend?
Ze is dus een nieuwe collega, waarmee ik nog dikwijls zal samenwerken, met veel plezier. Wil ik het risico nemen dat de toenadering verkeerd valt? Dat het mooie partnerschap iets krijgt van it’s complicated of zelfs it’s fucked up. Laat staan dat de collega’s er lucht van krijgen en de hele groep me ongemakkelijk aankijkt.
Ze is dus bijna vijftien jaar jonger dan mij. Kan ik dan nog onbevangen zeggen dat ik haar bewonder omwille van haar combinatie van openheid en rustige energie? Dat ik een zwak heb voor haar lieve gezicht en goed figuur? Of wordt dat dan iets van die oude bok en die groene blaadjes? Want dan gaat er toch ergens een wenkbrauw omhoog, vrees ik.
Dan is er nog die hevigheid. Ik ben niet altijd handig om dingen uit te spreken, en al helemaal niet met een krop in mijn keel. Ik zou dus rood worden, trillen en een berg emotie over haar heen storten, eens de dijk gebroken. ’Dag en nacht ben ik méér bezig met jou dan met mijn vrouw’. Dat bedoel ik dus: zou ze dat appreciëren of zou ze schrikken?
Ze heeft al een relatie, en die zit goed. Ik ken haar. Ze is dus niet de vrouw die van plan is om er een second love op na te houden, zeker niet met mij. Oké, het was ook niet mijn bedoeling, maar iemand die gelukkig is in een relatie, kan ik die emotioneel bestoken en dwingen om te gaan met deze constellatie?
En ze is dus lesbisch. Ze maakt er geen geheim van en trekt enthousiast met vrouwen op, zit redelijk stevig in het milieu. Ze vertrouwde me toe dat er één jongen is geweest, lang geleden, waar ze misschien voor had kunnen vallen. Maar haar ogen hebben altijd gefonkeld in de spiegel van andere meisjesogen en ze heeft altijd met vrouwenlijven gevreeën.
Dus. Alles op een rijtje. Getrouwde man van middelbare leeftijd, soms wat onhandig, met kinderen, wordt hevig verliefd op een vlotte vijftien jaar jongere lesbische collega. Game over. Niet mee uitpakken. Nee, ik zei het niet tegen haar. Ik hield het stilletjes voor mij.
Dat ene moment
Toen de storm woedde, hield het mij enorm bezig. Al mag ik haar nog altijd graag, mijn gedachten krijgen na negen maanden merkbaar meer ruimte voor andere dingen. Ik kan gewoon tegenover haar zitten zonder onderuit te gaan. Laaiende gloed is gemilderd tot deugddoende warmte. Ik mag haar nog altijd graag. En zij mag mij ook. We zijn geen intieme vrienden, maar hebben een goede verstandhouding. Ik heb het toen ook tegen mijn vrouw gezegd, een beetje minimaliserend: ‘Ik heb wel wat voor Katrien gevoeld’.
We gaan zwemmen tijdens de middagpauze. We gaan nadien een tijdlang lopen op de middag. Regelmatig doen we dan in dezelfde kamer onze sportkleren aan. Ze zoekt geen aparte kamer op, maar kleedt zich uit tot op slip en bh waar ik bij ben. Haar zo grijpbaar dichtbij te hebben is geen kwelling. Geen moment wil ik haar aanraken, of even erg: aanstaren. Het is ook niet banaal. Het is vooral on-ge-loof-lijk mooi. Ze heeft vertrouwen in mij. Ook in deze rustiger periode kan ik dan janken van ontroering.
Er gaat nog een extra jaar voorbij. En dan komt die bijzondere avond. Op kousenvoetjes – eenmaal in beweging glijdt dat heerlijk soepel en verbazend snel. We gaan iets drinken met de collega’s. Halfweg de avond gaan die naar huis. Normaal ben ik niet zo’n plakker, maar ik wil nog wel even blijven hangen. Toevallig heeft zij daar ook wel zin in. Dus blijven we plots met ons tweetjes over. We zitten op de kussens van een bank, naast elkaar. Het wordt even stil. En dan doet ze die prachtige voorzet, die ik alleen nog maar binnen hoef te koppen.
Heeft jouw vrouw er problemen mee, dat je nog iets blijft drinken met een andere vrouw?
Oei, Katrien, daar raak je een gevoelig thema.
Wat bedoel je?
Wil je het weten?
Ja, zeg eens?
Ik heb mijn vrouw iets verteld over jou. Ik heb haar verteld dat ik verliefd geweest ben op jou. Nu is het rustiger geworden, maar ik heb het echt wel zwaar zitten gehad.
Amai, dat wist ik niet.
Heb je er echt niets van gemerkt?
Neen, daar heb ik niks van gemerkt. Hoe was dat voor jou? Man man man, dat moet wel raar geweest zijn.
Zo is Katrien: open, ontwapenend, aanvaardend, nieuwsgierig, een vertel-eens-type. Ze maakt het zoooo mooi voor mij. We zitten naast elkaar. Onze schouders en heupen raken elkaar net. De warmte van haar lijf drukt merkbaar door onze kleren. Ik vraag of het OK is voor haar, om hier zo te zitten met een man. Het is OK voor haar. ‘Ik ben niet afkerig van wat lichamelijkheid’, zegt ze. Ze beweegt nog één genegen centimeter dichter. Ook ik schurk dat extra centimetertje gemoedelijker tegen haar aan. Eentje maar. Waardoor we net wat dichter aansluiten dan gebruikelijk tussen niet-geliefden die verder plaats genoeg hebben.
Meer moet dat niet zijn. Zo kan het. Zo blijven we praten. Geen arm om haar heen, geen hand die ik vastneem. Gewoon samen zitten. Elkaar af en toe aankijken. Glimlachen bij herinneringen, bij dit moment. We mogen elkaar. Haar ogen zijn hartelijk. We hebben een prachtig uurtje samen, dat alle geduld – en alle ongeduld – waard is.
Het verscheurende gevoel dat ik had voor haar is gemilderd. Geen vulkaan van tranen die komt opwellen. Maar die onderhuids opgebouwde spanning van zwijgen, niet kunnen spreken, inhouden, opkroppen. Die spanning van onzekerheid en twijfels. Het lijkt iets vaag, ergens in mijn karkas, niet echt last van. Pas als het loskomt, blijkt hoe sterk het allemaal is.
Nu kunnen spreken. In mijn lijf krijgt het verlangen eindelijk ruimte. Niet zonder schok of stoot. Het is duwen en wringen met mijn angsten en reserves, die stuiptrekkend weggeperst worden. Lichte bevingen sidderen door me heen, de aardlagen in mijn lijf gaan trillend en rillend eindelijk in de juiste plooi liggen. Ik huiver van opluchting dat ik het ten slotte naar boven kon brengen. Mijn body kan het voorgoed los laten.
Dank zij enige rust die ik zelf al gevonden had. En vooral dank zij Katriens aanvaardende aanwezigheid, die alles losmaakt en daarna de opkomende trilling masseert, balsemt, geleidt, dempt, verzacht, geneest. Hoe hard die inwendige benauwing ook was, hij smelt voorgoed weg. Als suiker, die zijn aroma afgeeft aan weldadige kruidenthee.
Ik hoef maar terug te denken aan dat ene moment en ik beleef het opnieuw.
Bedankt, Katrien!
(In een ander blogbericht heb ik dit in een kort gedicht uitgedrukt: ‘Kunnen spreken’)
