Brood en vis

Vorige week wandelde Jezus met zijn gevolg langs het meer en door de heuvels. Hij is al bijna een maand in het dorp. Als hij op tijd uit zijn nest geraakt bij zijn gastgezin – zeg maar gastvrouw – trommelt hij zijn leerlingen bijeen en trekt erop uit. Iedereen mag mee. Er komen hier wel meer rare kwieten van goeroes, maar Jezus heeft het meeste succes. Een schone vent die graag gezien is door het vrouwvolk, en hij kan vertellen. Soms snap ik hem en soms is hij even schimmig als een farizeeër, wel ene met peper in zijn kont.

Vorige week was er dus die dag die ik nooit vergeet. We lieten ons helemaal meeslepen tot aan de duizendjarige eik. In de schaduw was het te doen, al was er zo veel volk dat er ook mensen in de zon zaten. Er was een pak volk dat ik niet ken. Awel, ik ben gene racist, maar zo veel donkere mensen, dat wordt een plaag. Als ze onder elkaar praten, verstaat ge er geen kloten van. Misschien dat ze ons aan het uitlachen zijn, dat weet ge nooit.

Toen klonk dat heldere stemmeke van Florke van visser Achiel. ‘Wanneer gaan we eten?’ Iedereen lachen. Zelfs Jezus, die dat manneke dromerig aankeek. Al was hij zonder twijfel verrast. Jezus palavert altijd verder, denkt nooit aan eten. En Jezus sprak: ‘We gaan nu eten. Breng wat ge hebt. We zullen delen.’

Achiel zucht eens. Kijkt eens rond naar die massa volk. Zucht nog eens. Geeft een gedroogde vis, niet eens zo’n grote, aan Florke. En Florke brengt hem naar Jezus. Een haveloze brengt een plat brood, al wat droog. Vis en brood liggen daar dan, op een grote steen. Jezus kijkt rond. Wacht. Het wordt heel stil. Het blijft heel lang stil.

Niemand bougeert. Het moment is voorbij waarop ge nog met goed fatsoen iets kunt brengen. En dan begint Jezus die vis te verdelen en dat brood in stukken te scheuren. Achiel ziet met een snik zijn maaltijd verdampen om uitgedeeld te worden aan die grote massa. En Florke begint kleine stukskes te geven aan wie in de buurt staat. Hij snapt er niks van, maar doet bedremmeld verder.

Ik heb het nooit zo stil geweten. De vliegen stopten met zoemen. Het brood hoorden we niet niet scheuren. De voetjes van Florke maakten geen geluid. De bladeren ritselden niet in de wind. We stonden en keken naar Florke, stil en rood van schaamte, we durfden elkaar niet goed aankijken.

Wie was de derde die naar de steen liep en er toch nog zijn picnic bij legde, nog een brood, nog een vis? Jonas, of Martha, of een van die vreemden? De dam breekt. Veel mensen komen en geven. Onder mijn tuniek zaten langwerpige dingetjes, te veel om mijn kloten te kunnen zijn: trossen dikke dadels. Er waren vrouwen bij met méér dan twee rondingen onder hun kleed: meloenen. Nog gedroogde vis, druiven, vijgen, nog plat brood. Zout.

Komaan zeg, ge weet hoe dat gaat. Als het nieuws komt dat Jezus rond gaat trekken, dan grist ge de waterzak mee. Ge stopt wat proviand onder uwen tuniek. Want ge weet wel wanneer Jezus begint met prediken, maar niet wanneer hij ophoudt. Maar we wilden precies geen van allen delen wat onder onze tuniek zat. Tot we Florke bezig zagen.

We brengen onze waren naar de steen of lopen rond, trakteren, gaan zitten, krijgen van anderen, eten brood met dadels of vis of fruit… Iemand heeft zelfs honing bij. We raken aan de praat. Ik zweer u: het was beter dan een bruiloft. Minder wijn, meer volk. Minder muziek, meer stemmen. Minder gedoe, meer gezelligheid. Minder tapijten om op te zitten, meer ruimte. Ik heb lang van man tot man met een bedelaar gesproken, die me zijn leven vertelde. Hij wilde zelfs geen duit. Ik heb mijn eerste woordjes Farsi geleerd van een kerel die de slechtste niet was. Hij moest giechelen met mijn uitspraak, niet kwaad bedoeld, ik heb ook gelachen.

Achiel en Florke kregen het meest toegestopt. Die konden geen pap meer zeggen. Niemand had tekort. Aan het eind was er nog eten over, zo simpel is het.

Plaats een reactie