Tja, die Jezus die hier een maand in ons dorp was. Ne speciale. We gaan hem nie rap vergeten. Pas op, er wordt al een pak onzin verteld over die kerel, straffe verhalen die met den tijd nog dikker gaan worden. Dat voel ik al op mijn sloffen. Jezus zou wonderen verrichten en lammen doen opstaan. Da laatste zegden ze vorige week in ‘t dorp aan de andere kant van het meer, heb ik gehoord. Nog ewa verder reizen en hij heeft zeker al doden doen opstaan uit hun graf.
Maar ja, als ze Sus bedoelen, die is een paar weken geleden inderdaad beginnen lopen. De Sus. De schepper heeft er niet zo veel tijd in gestoken toen hij hem boetseerde. Zijn knoken werkten perfect, maar pasten e bitske raar in mekaar, da was als kind al. Sus heeft weinig harses in die schotse kop, en twee al even scheve linkse handen. En hij is meest van al ook nog ewa lui uitgevallen. Vroeger toch.
Jaren geleden, de Sus was nog geen vijftien jaar, is-ie ineens beginnen klagen over zijn benen. Van den enen dag op den anderen. En nog nen dag later is-ie ‘kreupel’ geworden. Zijn kostje bijeen gaan schrapen door int stof te kruipen, meelij te wekken met zijn smerige snotsmoel en zijn grauwe klauw omhoog te houen. Wat hem goed af ging, dieje gluiperd.
Ach, we proberen allemaal iets te maken van ons ellendige leven. De boer ploetert. De visser plonst. De ambachtsman hamert. De handelaar reist en marchandeert nog wat meer dan al de ander. We zweten allemaal. Alleen den tollenaar moet er weinig voor doen. En de farizeeër natuurlijk. Sus, die kroop dus door ‘t stof, in die hitte tussen de huizen, tussen de stroomkes pis en de hoopkes rottend vuil. Hij liever dan ik.
Enfin, met de Sus ist toch nog de goeie kant op gegaan, daar nie van. Jezus passeerde, en meneer kon weer lopen. Ineens. Nog ineenser dan dat hij lam geworden was. We dachten al dat hij af en toe zijn benen eens strekte, en da weet ik nu wel zeker. Anders kunt ge niet zomaar ineens achter Jezus aan beginnen slenteren, alsof ge altijd al door ‘t straat rondgekuierd hebt.
Een paar dagen later heeft hij een eetstalleke open gedaan met gevulde deegballekes. Hij begon dicht bij de grond. Precies of hij nog nie echt loskwam van zijn ouw leven. Een plank om op te werken en wa gestapelde stenen met daarin dan een hoopke sintels, om in te bakken. Meer was ‘t nie. Nie dat hij nu een superdeluxe zaak heeft. Dieje straatventer heeft nu toch al iets wat een peuke een stalleke moet voorstellen, met een zeildoek tegen de zon, wa versleten tapijten en wa aardewerk voor de eters.
Ik moet zelfs toegeven: als hij vers geitenvlees heeft, zijn zijn gevulde deegballekes nog lekker ook, ze lopen dan beter dan de Sus zelf ooit gedaan heeft. Als zijn geitenkadaver al wa begint te stinken, en er zit nog wa vlees aan, dan gaan de sukkelaars langs. Ze mogen er dan spotgoedkoop eten. Och, dat soort mensen heeft een sterke maag, en die hebben ze dan ook wel nodig. Mij nie gezien, op die dagen!
De Sus was dus maar gespeeld lam. Ik zeg u hoe het gegaan is. Toen Sus Jezus hoorde spreken over de liefde en over ander schoon dingen, besefte Sus dat het echte leven voorbij gaat als ge zo stof blijft vreten. En hij had in één keer het perfect excuus om de lamheid van zich af te gooien en te stoppen mee da toneel. Jezus had hem doen opstaan! Voilà: wonderbaarlijke genezing, met dank aan diene mirakeldoktoor zonder diplom.
Mij nie gelaten. Tenminste ne profiteur minder die leeft van ons aalmoes, zonder der iets voor te doen. En ‘t blijft eigenlijk ook een mirakel, dat die vent aan de slag gegaan is en iets nuttigs is gaan doen. Maar twas dus een mirakel in de kop, en nie in de knoken, als ge ‘t mij vraagt.
