Verdubbelde kracht (reisverhaal)

Over reizen en roken

De eerste sigaret van de dag is de heftigste. ‘s Morgens vroeg heb ik nog geen behoefte aan een rookstok, maar tegen een uur of elf jaagt mijn hartslag onherroepelijk omhoog. Ik begin te smachten naar nicotine en ik weet dat ik aan die drang zal toegeven. Nog voor de aansteker schampt, zet mijn lijf zich al schrap voor wat gaat komen: die wilde sensatie van de eerste sigaret. Het inhaleren stuwt mijn bloed bonzend en wervelend door mijn aderen en drijft het zweet uit mijn poriën. Even is het bijna onaangenaam heftig; meteen daarna valt alles in de vertrouwde plooi. De kop is eraf, ik ben een nieuwe rokersdag begonnen. Voor een paffer is mislukken een gewoonte.

Zo ver ben dus ik nog niet, om vijf uur die vrijdagmorgen. Op de dag na Hemelvaart ben ik al voor vier uur opgestaan. Eigenlijk verlangend naar de vergetelheid van het uitslapen, en een rustig weekend met mijn vrouw en onze twee peuters. Toch sta ik om vijf uur aan het verzamelpunt voor deze reis met onze oud-leerlingenbond. Op dat uur kruipt mijn bloed nog als taai vloeibaar beton door mijn aderen. Met slaapogen schud ik handen met zeventien mannen en vrouwen. Sommige reisgenoten zijn pas afgestudeerd, met piepjonge gladde kinnen. Anderen zijn grijsaards die uitkijken naar hun verlossende pensioen. Ik ben vijfendertig, in leeftijd zit ik dichter bij de jongsten, maar ik heb meteen ook een klik met de oudjes, die nog het meest hartelijk en nieuwsgierig op me toestappen. Zoveel nieuwe gezichten. Na deze eerste ronde blijven niet meer dan twee post-its met namen en voornamen hangen in mijn nog verdoofde hersenen. De rest dwarrelt er weer af. Mensen worden voorlopig weer naamloze portretten: die blauwe jas, die met zijn wilde haardos, die schuchtere…

We gaan naar Passau, een Beiers grensstadje aan de grens met Oostenrijk. Zevenhonderd vijftig kilometer razen over autostrades. Een avond en een volle zaterdag dag ter plekke, en zondag alweer die eindeloze rit terug. Dus waanzinnig ver, maar de bestemming is zorgvuldig gekozen. Passau is een prachtig kruispunt van rivieren: de Inn mondt er uit in de Donau. Het decor is gekruid met kerken, kloosters en burchten. En vooral: in Passau is het noviciaat voor de West-Europese Salvatorianen. Daar liggen dus de roots van de paters die ons onderwezen en begeleidden. En dus ook een stukje onze roots. Bedden zijn er genoeg.

Humor helpt een handje om te ontdooien. Onze chauffeur smeekt om ons niet in te houden als we een scheet moeten laten. Die gaatjes in de plafondbekleding zuigen namelijk de brandbare methaangassen op. Ruften levert een bijdrage aan het energievraagstuk. Hoe meer ajuin en bonen we dit weekend vreten, hoe zuiniger zijn busje rijdt. Dat soort dingen. We worden een jolige bende, naarmate we de kilometers vermalen. Een onvervalste schoolreis-sfeer. We hebben dan nog niet één glas gedronken.

Lachen. Vertellen. Kennismaken. Interessante mensen. Toch voel ik me geleidelijk ontkoppelen. Door het vroege opstaan jeukt al om negen uur die eerste hunker. Ik wil roken. Het busje is een voortrazende gevangenis waarin ik gekluisterd blijf. Een blauw bord langs de weg doet hoop oplichten. P 3 km. Maar niemand vraagt een sanitaire stop, en ik durf het  gezelschap niet op te houden. Tegen tien uur houd ik het niet meer. Ach, dat nonchalante grapje: ‘Stoppen met roken is gemakkelijk, ik heb het al tien keer gedaan’. Ik deed het al een keer of vijf. Waarom kan ik me niet losrukken? Daarmee ben ik de laatste dagen weer bezig: ik wil niet dat mijn peuters me zien roken. Ik wil stoppen. Voorgoed.

Nu nog niet. Later. De schreeuw in mijn lijf overstemt alles, en ik weet dat ik er vandaag weer aan zal toegeven. Het pakje filterstokjes brandt in mijn zak. De gesprekken dringen niet meer tot mij door. Ik kan aan niets anders denken: een sigaret, een sigaret, een sigaret. Die eerste van de dag. De heftigste. Die komt er, ergens op een snelwegparking. Met oogbollen die bonzen van de nicotine en weer tijdelijk bevrijd van ketenende verlangens gooi ik me weer in de gesprekken.

De oudste generaties vertellen de strafste verhalen en het busje vult zich met anekdotes van mythische proporties. Iedereen zat toen nog op internaat en tegenwoordig gebeuren zo’n dingen niet meer. Ja, de heimwee naar thuis was moeilijk – ‘s maandags moesten sommigen nog lang stilletjes hun rode ogen verbergen op de speelplaats. Vriendschappen voor het leven werden gesmeed bij al die uren sport en spel. Op bonte avonden voerden de oudere jongens hilarische sketches op voor de jongeren. In groep werd er heel wat kattenkwaad uitgehaald. En samen werden levenslessen geleerd. Je moet het leven zelf maken, samen met de groep. ‘Ook deze reis’ zeggen ze veelbetekenend. Het werkt aanstekelijk.

Krijg het nou. Twee oudjes beginnen spontaan te zingen. Na de platte grappen en grollen valt alles weg en klinkt een religieus avondlied. Op de momenten dat de zangers ademhalen, voelt zelfs de grommende motor aan als stilte. In één beweging vertoeven we in een wereld die gregoriaans klinkt, ruikt naar wierook en voelt naar honderd jongenslijven, zij aan zij in de aula. Ik zie twinkelende ogen vol herinnering. Samen zingen voor het slapengaan. Honderd keer of meer in een schooljaar, hoeveel in een hele schoolloopbaan?

O Heer, d’avond is neergekomen,

de zonne zonk, het duister klom.

De winden doorruisen de bomen

en verre sterren staan alom…

Wij knielen neer om U te zingen

in ’t slapend woud ons avondlied.

Wij danken U voor wat we ontvingen,

Wij vragen, Heer, verlaat ons niet!

Kippenvel krijg ik ervan. Toch: als ogen me aankijken en uitnodigen om me mee te zingen, zou ik weg willen kruipen. Als bij een polonaise op een feest, waar verwacht wordt dat je vrolijk mee-host, maar waar ik nooit zin in heb. Ik ben introvert en absoluut geen zanger. En als niet-gelovige wil ik deze onzin principieel niet mee-kwelen.

Zelfs al zou ik willen: ik ken het lied niet. Het lijkt van ver voor mijn tijd. Dan kijk ik naar de man naast mij in de bus. Slechts een jaar ouder dan ik. Hij zingt wel mee. En dan herinner ik me die oktober-avond in mijn eerste middelbaar. Prefect Rik Bongaerts hief bij de dagafsluiting een eenzaam lied aan. Alleen enkele jongens die het jaar dubbelden, zongen mee. De rest niet. Die traditie van de samenzang bij de dagafsluiting was weggedeemsterd, net het jaar dat ik er begon. Ze is nooit meer teruggekomen. Ik mijmer. Rik Bongaerts, voornaamgenoot, de jongste prefect, en ook de sportiefste. Hij voetbalde mee met ons. Rookte. Als hij een sigaret aangeboden kreeg, scheurde hij er altijd resoluut de filter van af. ‘Anders krijg ik niet genoeg binnen.’ Hij is niet meer. Longkanker.

De lekkerste sigaret is die na het middageten. Dan zitten we al diep in Duitsland. Geleidelijk is mijn humeur verbeterd, als een verkoudheid die merkbaar wegtrekt. Onze twee minibusjes vorderen gestaag en het sombere weer dat België al wekenlang parten speelt, klaart op. Het wordt zowaar stralend warm. Als we in de vroege namiddag stoppen voor een blitzbezoek aan Straubing, lokken de menukaarten op een zonnig terras. Wat we ook bestellen, de gerechten zijn allemaal overgoten met heerlijke hongersaus. De lentezon voedt onze al-zo-lang-naar-warmte-snakkende huid. En ik vul mijn longen met mijn na-het-eten-sigaret. De rook valt bij me binnen als een aangename balsem, en completeert alles tot één groot fysiek genoegen waar niets meer bij hoeft. Eén krachtige cocktail van gezelschap, zon, eten, wijn en nicotine. Een legale high. Deze reis, ze kan nu al niet meer stuk.

Bij onze aankomst in de late namiddag blaakt het Salvatorklooster in de zon op, een van de heuvels die Passau omringen. Binnen de hoge muren waan ik me een ridder, die vanuit zijn vesting uitkijkt over de omgeving. De stad ligt aan mijn geharnaste voeten. Onder mij een landtong vol klassieke gebouwen, waarboven de drie uivormige spitsen van de Domkerk uittorenen. Links en rechts van de landtong stromen de donkerblauwgrijze Donau en de lichtblauwegroene Inn. Aan de punt vloeien de twee kleuren nog broederlijk naast elkaar. Ze mengen zich stroomafwaarts. De Donau is nu een machtig blauwe vloed. Klaar voor Wenen, Bratislava, Boedapest en Belgrado. Grote steden, relatief korte haltes in een majestueus landschap van nog bijna tweeduizend kilometer, op weg naar de Zwarte Zee.

Binnen heerst een gewijde stilte. We komen van een katholieke school, maar we zijn te vol van de uitgelaten schoolreis-stemming. Olifanten in een porseleinwinkel: we botsen met een traditie waarin de wereld nauwelijks nog ankert. We schenden regels, soms uit onwetendheid, soms uit ballorig enthousiasme. Stilte in de gangen? Geen vrouwen toegelaten op de kloostergang? Dimmen bij het ontbijt in de gezamenlijke refter? Top of the bill, meteen bij aankomst: twee van onze koppels zijn ongetrouwd, maar willen toch op dezelfde kamer slapen. Onze geestelijke gastheren schudden verbijsterd hun hoofd en hun mond hapt even sprakeloos. Na wat pendeldiplomatie van onze reisleidster laten ze het er bij. Mogelijk hebben ze al spijt dat ze onze groep in hun midden lieten.

De meest rustgevende sigaretten zijn de avond-sigaretten. Heel anders dan die heftige voormiddag-sigaret, valt de rook kalmerend in mijn longen. Ik rook ‘s avonds het meest. Ook die avond smaak ik enkele sigaretten op een terras beneden in de stad, in gezelschap nagenietend van een dag die mooier was dan ik had kunnen denken. Die lange kilometers waren ideaal om kennis te maken. We hebben gebabbeld als viswijven, bijna dronken van het ademen tussen de woorden door. Krijg je dan te veel of net te weinig zuurstof binnen?

We staan al voor zeven uur op, want het ontbijt wordt om 7.10 pünktlich geserveerd. Bovendien hebben we een eivol programma deze zaterdag, onze volledige dag in Passau. Na het ontbijt krijgen we een rondleiding in het klooster, de omringende tuinen en boomgaarden. De voornaamste bezigheid van vijftien oudere broeders en paters is fruitteelt, naast iets algemeens als pensioen. De roepingen liepen flink terug: er is op dat moment zelfs geen enkele novice meer. Ik heb nog geen behoefte aan een sigaret.

Dan is het tijd voor de historische stad. We wandelen vlotjes onze heuvel naar beneden en beklimmen wat moeizamer een andere omliggende heuvel, dichter bij de stad. Daar ligt Veste Oberhaus, zeg maar een stoer uitgevallen vierkantshoeve die nu tot museum omgevormd is. Er zijn tal van thematische tentoonstellingen, maar we hebben slechts tijd voor het luik over de zouthandel, die aanzienlijk heeft bijgedragen tot de plaatselijke rijkdom. Ik voel de hunker naar een sigaret opkomen.

Met een rookstaafje tussen de vingers marcheer ik met de groep naar de stadskern op de landtong. Het is stralend warm geworden, maar we ijlen aan het tempo waarmee het Von Rundstedt offensief startte in 1944. We willen op tijd zijn voor het orgelconcert in de Domkerk. Die heeft het grootste kerkorgel ter wereld, met meer dan 17.000 pijpen. De temperatuur is er aangenaam, na de geforceerde wandeling die ons in zweet deed uitbarsten. De kerk omsluit ons als een protserige marmeren koelcel. Het orgel is een overjaarse opgeblazen bodybuilder die voortdurend de muzikale spieren rolt. Bach, Benoit en Reger donderen met te veel registers over ons heen. Slechts even vind ik het indrukwekkend, dan slaat afstomping en verveling toe. Waardoor ik trek krijg in nog een sigaret. Het begint uit de hand te lopen, het is niet eens middag!

Buiten voor de kerk kan ik weer roken, en praten met het reisgezelschap. We beginnen elkaar al wat te kennen en groeien in ons elan van tijdelijke vereniging waarin iedereen zijn bijdrage levert. De lolbroek. De babbelaar. De feitenkenner. De bruggenbouwer. We doen ieder ons ding en maken er inderdaad samen iets van, van deze reis.

Aan het stadhuis zien we de markeringen van vroegere overstromingen, al sinds de middeleeuwen. Zandzakjes konden hier niet helpen. Het water reikte regelmatig tot ver in het gelijkvloers – en deze statige gebouwen hebben hoge plafonds.

We wandelen door tot aan de punt van de landtong, waar Inn en Donau samenvloeien. Daar ontmoeten we een andere buitenlandse. Op een bank zit een oude Zwitserse vrouw uit te kijken over het water. Ze komt uit Maloja, de plaats waar de Inn ontspringt, eerst de overloop van een hooggelegen bergmeertje, dan een brede beek onder in de vallei, uitgroeiend tot een machtige rivier verderop. Nu ziet ze hoe ‘haar’ Inn hier uitmondt, na een lange tocht door Zwitserland en Oostenrijk. Filosofisch monter zegt ze: ‘Vroeg of laat eindigt alles, en daar heb ik vrede mee’. Als Mahatma Gandhi hier een wijsheid had gedeclameerd, het had ons nooit sterker kunnen raken.

Bij mij blijft de ontmoeting nog lang en confronterend nazinderen. Kan ik ermee leven als het roken de stroom van mijn leven inkort, zodat ik niet geraak waar ik had kunnen geraken? Als ik voortijdig moet aanmeren met amechtige longen of een uitgemergeld kankerlijf?

We begeven ons de stad in voor het middagmaal. Ondanks enig schuldgevoel smaakt de na-de-maaltijd-sigaret weer heerlijk. We hebben kennis gemaakt. We voelen ons goed en veilig bij elkaar. We doen inmiddels vertrouwelijke uitspraken over wat ons bezighoudt in het leven en doorrijgen alles toch af en toe met dolle dwaasheden.

De namiddag vullen we met een uitgebreid bezoek aan de kerk, de bisschoppelijke residentie en het glasmuseum. Een obsessie. Ik ben niet in mijn normale doen – zijn het de korte nachten die ik met nicotine probeer te compenseren? Is het omdat ik me laat gaan in dit unieke decor en in dit feestelijke weekend? Ik heb weeral zin om te roken, dit loopt echt uit de hand! In het museum vraag ik me bij elk object af: zou het bruikbaar zijn als asbak of niet? Verder onthoud ik niet zo veel van de rondgang. Shame on me.

Mijn pakje sigaretten slinkt die dag dan ook sneller dan gewoonlijk. Nog twee sigaretten heb ik, als we aan het einde van de namiddag Maria-Hilf bezoeken. Wie de hulp van Maria wil inroepen, gaat daar naartoe. Een bedevaartsoord met een overwelfde trappengang die onder aan de Inn begint en 365 treden omhoog klimt, voor elke dag een trede. De echte bedevaarders bestijgen trap na trap, geknield. We zien drie vrouwen, moeizaam vorderend, knielend op de koude steen voor een stil gebed.

Wie de wilskracht heeft om deze daad vol te maken, kan alles aan en kan ook zijn leven veranderen. Zo is het met veel bedevaarten, flitst me te binnen. Nou, één ommekeer kan ik wel wensen. Het idee groeit bij elke trede. Ik wil al zo lang stoppen met roken. Wanneer vind ik een goede gelegenheid? Wanneer vind ik de kracht?

Al de tijd van de knielende vrouwen hebben we niet; met de groep beklimmen we de trappen op normale manier. Af en toe uitblazend bij ingelijste plaquettes van heiligen op de vol behangen muren, ertussen ook zware rozenkransen, zelfs hier en daar een kruk die een man of vrouw dankbaar aan dit bedevaartsoord schonk. Er hangen geen wereldse dingen tegen de wand, zoals lege sigarettenpakjes, maar ik kan het niet helpen, en beeld het me in. Wat zou het mooi zijn als ik zo’n pakje niet meer nodig had, hier resoluut tegen de muur kon spijkeren en voorgoed achterlaten.

Helemaal boven komen we in een weinig opvallende kerk. Weer zo’n gebouw waarmee de katholieke cultuur ritme en vorm wil geven aan mensenlevens. Die katholieke roots, ik word er al de hele reis mee geconfronteerd. Neen, gelovig ben ik niet. Dit is niet mijn gebouw. En toch. Om een of andere reden blijven ook de reisgenoten wat langer staan. Ik vind bezinning, kijkend naar het Mariabeeld. Ik ben nu zo ver. Ik ben boven. Hij was het waard, die klim. Ik weet plots zeker: ik kan hier mijn ding doen. Ik ga me laten helpen door deze bijzondere ruimte. Als ik een goede plek zocht, en een goed moment: gevonden! Ik maak een vast voornemen. Ik ga geen nieuw pakje meer kopen. Ik ga stoppen met roken. Nu. Hier. In Passau. Ik kijk nog lang naar het beeld van Maria.

Vroeg ‘s avonds, boven in het klooster, verbroederen we in een zitsalon. Mijn voorraad is die naam niet meer waardig. Nog één sigaret. Maar ik blijf bij mijn plan en zonder me even af voor het raam. Het kijkt uit over stad en omgeving. Daar ligt de stad, en aan de andere kant van de vallei het Maria-Hilf Kerkje.

Ik heb bij de Salvatorianen in het Belgische Hamont mijn eerste sigaret gerookt. Ik rook nu mijn laatste bij de Salvatorianen in Duitse Passau. Elke trek houd ik net iets langer in mijn longen dan anders. Heerlijke avond-sigaret, zelfs met het spijtige besef dat het de laatste is. Net als aan elke sigaret komt ook aan deze een einde. Als het vuur mijn wijs- en middelvinger schroeit, terwijl de rook nog om mijn hoofd kringelt en mijn bloed lichtjes bruist van de nicotine, druk ik krakend mijn peuk uit.

De laatste van heel mijn leven. In een Salvatoriaans, dat wil zeggen verlossend perspectief.  Ik zit er wat verweesd bij, verbouwereerd over mijn al bij al toch vrij plotse beslissing. Nu is mijn hunker bevredigd. Ik weet dat die weer op zal komen. Maar ik wil de strijd winnen. Ik zal mijn vuisten toeknijpen als de nicotinespiegel daalt en de hunker toeneemt. Ik zal verbeten het Mariabeeld en dit machtige panorama weer oproepen. Het zal mijn wilskracht sterken. Een paar dagen, dan is het voorbij. Zo zal het zijn.

Dat laatste avondmaal samen, daar willen we iets moois van maken. Sommige medereizigers brachten hun banjo mee. Iemand anders heeft liedjesbundels meegebracht. We vormen samen een jeugdbeweging, met grijze en minder grijze haren. Zoveel goesting om er samen iets van te maken. Na het eten en bij een goed glas barst het los. Gezang. Moppen. Anekdotes. Eenvoudige cantusliedjes en nog simpeler dingen zoals de Vrolijke vrienden van Nonkel Bob en de Purperen hei.

Natuurlijk komt de goesting weer op naar zo’n lekkere avond-sigaret, zeker bij een gul Weizenbier. Ik vind afleiding en een tweede bron van sterkte. Bij de donkere verbeten pure wilskracht, de Duitse Donau, voegt zich een lichte speelse kracht, de Zwitserse Inn. De kracht van leute en plezier. Niet verbeten in een hoekje gaan zitten hunkeren, maar die slechte goesting gewoon zingend weglachen. Deze volkse spullen zing ik wel mee – uit volle borst – dat ik vals zing kan me niet schelen. Ik kijk de nieuwe vrienden in hun eveneens fonkelende ogen. Breng een prosit uit. Vul mijn longen met lucht en voel ze opentrekken. Nu al. Lachend en zingend helpt de groep me door die eerste sigaret-loze avond.

Ik word wakker na alweer een korte maar niet al te slechte nacht. Nog wat onwennig in mijn nieuwe niet-rokers-rol. Ik voel me klaar om straks vrouw en kinderen energiek in de armen te sluiten. Met een frisse adem en veel goesting in het leven.

 

 

Plaats een reactie