We zijn magneten voor hen. Wij: twee studenten met rugzakken op de schouders en okselvijvers onder de armen, op rondreis in Marokko. Voor hen belichamen wij zoveel mogelijkheden, geld en vrijheid. Steeds weer worden we omzwermd door de lokale mannen – het gesluierde geslacht blijft op afstand, verlaat met zedige pasjes het winkeltje waar we binnenstappen. De toenaderingen waar we op ingaan leveren ons op: schaamteloos afgezet worden en belangeloos gegidst naar mooie plekjes. Onverhoeds binnengeloodst in een winkeltje en zomaar getrakteerd worden op verse vijgen en dadels. Diepgaand op de proef gesteld naar aanleiding van een discussie over Israël en een avond gezwets over niets.
Een avond waarbij heel geleidelijk wat koelte valt als we op een caféterras iets drinken voor het slapengaan. Het duurt niet lang voor we benaderd worden door drie jonge mannen. De derde kerel is midden de twintig, normaal gebouwd – al voel je dat hij enige aanleg heeft om later een tikje pafferig te worden. Hij heeft dociele hondenogen en schuifelt langzaam dichterbij: hij sluit als laatste aan bij het gesprek dat we voeren. Hij komt niet op de voorgrond, tot ook voor hem duidelijk wordt dat we uit België komen. O, in België kent hij iemand! Hij heeft al vaak geschreven met iemand uit ons land. Zijn ogen worden spleetjes en hij kijkt strak voor zich uit. Dan zegt hij dat hij zo terug komt, om iets aan ons te laten zien.
Hij heeft een papiertje bij zich. Hij schuift het ons schoorvoetend toe, als iemand zonder bezittingen die zijn enige erfstuk laat taxeren. Geprangd tussen de angst dat het niets waard zal blijken te zijn of dat we hem zullen belazeren… en de hoop dat het hem veel zal opbrengen. Een adres: slechts enkele woorden. Een gewone Vlaamse naam, wonend in een doorsnee straat in een dorp ergens in het midden van het land. Een jeugdige hand heeft het netjes neergepend, met verzorgde ronde letters. Kennen we deze persoon?
Dat zou wel erg toevallig zijn, als net ook deze persoon tot onze kenniskring zou behoren, tussen die tien miljoen Belgen. Mijn reisgenoot is West-Vlaming, ik ben Limburger, en het adres ligt dus ergens tussenin. Dat vindt hij jammer. Zijn buikspieren spannen zich en hij buigt zich naar ons toe. Hij geeft het nog niet op. Zijn hamvraag moet hij nog afvuren. Die vloert ons helemaal, maar hij geeft geen krimp. ‘Is het een jongen of is het een meisje?’
Karen is duidelijk een meisjesnaam, dat geven we hem mee. Samen met onze verwondering dat hij niet wist dat het een meisje was, als hij echt al veel met haar gecorrespondeerde. O jawel, hij heeft haar al vaak geschreven, dat we dat durven betwijfelen! Hij trekt een beledigd gezicht en spreidt even zijn handen, palmen naar boven. Maar veel tekst en uitleg over hun penverkeer geeft hij niet. Hij wordt dromerig en gefocust tegelijk. Wat broedt er in hem? Kondigt weer aan dat hij even weg moet. Het is ‘reculer pour mieux sauter’. Hij verdwijnt in de coulissen voor een metamorfose. Tien minuten, meer heeft hij niet nodig om het toneel opnieuw te bestijgen, nog steeds in dezelfde outfit, maar als een ander mens. Vasthoudend. Doelgericht.
Hij wil ons iets meedelen. Het is nu eenmaal zo. Hij heeft gevoelens voor Karen. Hij is verliefd op haar. Hij vraagt ons, nu we toch vrienden geworden zijn, om een goed woord voor hem te doen bij haar. We kunnen haar toch gemakkelijk opzoeken, eens we opnieuw in België zijn. We kennen hem nu. We kunnen bij Karen bevestigen dat hij best te vertrouwen is. Het kan iets worden tussen Karen en hij. Als ze trouwen, kan hij in België gaan wonen. Voor hem geen probleem om te verhuizen.
De rest van de avond is ongemak. We vinden het raar dat hij niet eens wist dat het een meisje was, en dat hij nu al zulke gevoelens heeft. Wij proberen hem voorzichtig duidelijk te maken dat we hem niet genoeg kennen om een dergelijke boodschap over te brengen. Dat hij zelf moet schrijven en zijn gevoelens naar voren brengen. En hij, hij is verongelijkt, voelt dat hij ons niet mee heeft, begrijpt dit niet, rekent op ons als vrienden, is bedekt verongelijkt over onze onwil, vraagt ons om het adres over te schrijven: we vinden haar wellicht in het telefoonboek en we kunnen haar minstens toch eens bellen…
We worden gevangen in de hoffelijkheid tegenover de nieuwe kennis die hier voor je zit en die je in de ogen kijkt. Mensen die je leert kennen in den vreemde, bij een rondje fris, kan je niet zomaar laten vallen. We willen ons niet laten chanteren. Maar moeten IETS doen. Van zijn kant beseft hij: hij kan ons niet het mes op de keel zetten. Te grof werkt averechts.
Een vage belofte, die persen we er uit, om de eer van beide partijen te redden.
Dit verhaal is een herinnering aan een reis, lang geleden in 1982. Het was mijn kennismaking met het migratievraagstuk. Dat is van alle tijden. Ik weet niet wat het meest ongepast is: zijn wanhopige poging of onze verontwaardiging daarover.
Rik Meeuwissen
