Elke lente – de hoeveelste nu alweer?
zalig openbarsten, na het donker, na de kou.
En hoe meer ringen in mijn stam, hoe meer
ik van die tintelende lente hou.
Jaar na jaar nog meer intens, nog meer bewust,
voel – en ben ik zelf – het keren van ’t seizoen.
Tasten, slurpen, pompen en zwellen vol lust.
Vervuld van uitersten, moeiteloos verzoend:

Jubelt mijn hart onrustig en met snelle tik
moet ik bewegen, moet ik doen, moet ik
zoveel, en vooral uitbarsten, uit die cocon.
En ook die diepe vrede. Niets nog, dat ik begeer.
Want wijs weten: het volmaakte is niet meer
dan stille staan, en koesteren in de zon.

Vind ik heel mooi en ontroerend gedicht. Alleen zou ik geen oud Nederlands gebruiken, dan wijst het te veel naar Gezelle en co. Waarom stille staan? Wij staan toch gewoon ‘stil’ (nu en dan)
LikeLike