Supergele hesjes

Rotselaar, 2 januari 2019 – bijna een jaar geleden

Mijn nog zeer prille vriendschap met Kristien is ten einde. Melancholisch gestemd en niets beters te doen. Nadenkend drink ik een koffie in het tankstation van Rotselaar, op weg naar huis. Al scrollend op facebook zie ik de hufterige plundering van die apotheek in Molenbeek. De beelden zetten nog meer donkere verf op mijn moedeloze grondlaag.

Maar het begint dan nog maar pas. Drie jonge kerels aan het tafeltje naast het mijne. Hoe oud zouden ze zijn, einde twintig? Blank, kort haar, slank, grijze of zwarte broek, sneakers. Beter verzorgd en minder loser-gehalte dan die mannen in Molenbeek. Een van hen ziet me hoofdschuddend de beelden bekijken. Mijn walging werkt als een rode lap op een stier.

‘Dat is wat jullie te wachten staat.’ Hij is een halve kop kleiner dan mij, felle bruine ogen. Hij komt ongevraagd dichterbij, wijst naar mijn smartphone. ‘Dat zijn mijn vrienden! Neen, ik ken ze niet, maar ik ben helemaal akkoord met die. Luister wat ik zeg. Het gaat nog meer daveren op straat. Echt daveren. En dan ook in de wetstraat.’ Een glimlach op zijn snoevende gezicht, trots op zijn speech tot nu toe.

Geen Limburger, denk ik. Diest? Speur ik alcohol in zijn vrijpostige gedrag? Nochtans houdt hij een flesje plat water vast, waarvan hij tussendoor drinkt. Moet ik hier op ingaan of kan ik hem negeren? Hij laat me weinig keuze. Wijzend naar mijn auto, buiten: ‘Ik heb u wel zien stoppen. Grote auto, hè! Zeker ook een schoon huis en een dikke pree. Wat denkt ge dat wij hebben? Niks!’

Hij merkt dat een van zijn vrienden aan zijn jasje trekt, weg van mij. Hij trekt zich beheerst los, zonder om te kijken. Er is er geen houden meer aan. ‘Die gele hesjes hebben gelijk. Maar dat zijn watjes, die gele hesjes. Die gaan niks veranderen. Niks! Braafkes wat kruispuntjes blokkeren, een beetje wandelen door Brussel. Maar goed dat er mensen tussen komen met kloten aan hun lijf, die eens aan de boom schudden.’

Weer een slok. Alsof het water een bittere smaak heeft: zijn mondhoeken zakken nog lager. ‘Zwijg mij van de politiekers. Behalve misschien Raoul Hedebouw, die weet nog een beetje waar het over gaat. Die wil tenminste geen super-rijken, die geeft iedereen dezelfde kans.’ Hoewel hij een gladde kin heeft, doet hij me denken aan die aboe-baardmans van Sharia for Belgium. Helemaal vol van eigen gelijk, misprijzend op een bijna vriendelijke toon.

Even spat zijn water me bijna in het gezicht. ‘Kijk nu eens naar de rooi. Die Crombez, die trieste slijmbal heeft niks te vertellen, niks! Die zegt altijd dat de mensen hun facturen niet kunnen betalen, en wat is de oplossing? Als ge het nog niet door hebt: wij zijn de echte linksen. Ik zal u zeggen: als wij het niet krijgen, dan zullen we het pakken!’

‘Dat is dan jammer voor die apotheek, maar ik ben blij dat het in het nieuws komt. Dat is de kopgroep. Dat zijn mijn vrienden. Dat zijn de mensen die laten zien hoe het er aan toe zal gaan.’ Hij had blijkbaar dorst. Zijn flesje is zo goed als leeg. Vaag herinner ik me een artikel over roesmiddelen. Geen alcohol, misschien XTC? Ongeremd gedrag en uitdroging.

‘Ik zal eens wat zeggen: we zullen aan uw huis staan! We zullen eens ruilen se. Ik uw huis, gij mijn krot. Een krot! Dat is alles wat ik kon betalen, en ik zal mijn hele leven alles moeten doen om het een beetje leefbaar te maken in die hoop ouw stenen. Gij, gij hebt niks meer nodig, ouwe. Wij jong mensen, wij hebben een fatsoenlijk huis nodig. Rijkelui, die erven via allerlei constructies. Die trekken alle uitgaven af van de belastingen. Is dat geen diefstal soms? Gij zijt de grote bandieten, niet wij!’

Eindelijk gaat hij terug naar zijn maten. Mijn trieste stemming is omgeslagen naar onbehagen. Is dit de generatie van de toekomst? Ik heb zelf toch ook heel wat moeten werken en sparen. Draaien deze mensen bij, als ze een stabiele job hebben en hun leven geleidelijk opbouwen? Of hebben ze dat geduld niet en moet het nu, onmiddellijk? En ik besef ook: die interims bij ons op het werk, die kunnen nauwelijks iets stabiels opbouwen…

De koffie is op. Ik blijf niet langer, het tankstation is geen toevluchtsoord meer.

Wat moet ik denken? Pakweg twee minuten na zijn tirade, draaide hij zich nog één keer om naar mij. Medeleven met mijn mond vol tanden of dat ik niet in stemming was? Interpreteert hij mijn zwijgen als ergens toch iets van instemming? Een signaal om het niet persoonlijk te nemen? Eén zin nog. Meer zegt hij niet: ‘Gij zijt misschien gene verkeerde.’

Misschien is er nog hoop.

Plaats een reactie