De meest indringende ooit
Cadzand, 19 december 1999, station van de KNRM – Koninklijke Nederlandse ReddingsMaatschappij. Luchttemperatuur: enkele graden boven nul; er stuiven zelfs wat losse sneeuwkorrels door de lucht. Gevoelstemperatuur: nog wat lager door de wind, die hier harder blaast dan in het binnenland – windkracht zes zweept de grijze golven. Watertemperatuur: zes graden. In gedachten ben ik al in zee en huiver.
Toch loop ik warm voor de zwemtocht. We willen niet alleen de zomerse zee kennen, maar ook zijn pittige winterse karakter. Met een om het lijf gegoten neopreenpak, een stel zwemvinnen en een goede conditie voelen we ons klaar voor een kilometer of zes. Het is trouwens geen wedstrijd. Puur het tintelende gevoel van spanning, kou, natuur, spierkracht. We zijn met een klein groepje: Marc en Huib van de North Sea Swimming Association en Leon, Jan en Rik van Nautilus Hasselt Vinzwemmen.
Heen op motorpower
Twee boten van de KNRM zullen ons begeleiden. De Tuimelaar, een kleine open sloep, ligt al in zee. Daarin wachten twee redders op ons, onbeschut in de stijve wind, weliswaar gehuld in warme waterdichte pakken. Drie andere redders brengen ons met de grote boot naar het startpunt, noordoost van Cadzand. Deze boot heeft een stuurhuis en is ruim genoeg voor ons allemaal. De krachtpatser staat nog aan land, behuisd in een open onderstel op wielen. We klimmen aan boord. De schipper zet zijn helm op, met vizier en ingebouwde radioverbinding. Ready to go!
Een tractor op rupsen trekt ons van het boothuis weg, over het strand, en duwt ons dan onverbiddelijk met onderstel en al achteruit, de zee in. De wind giert om ons heen en we hebben de kap van onze zwempakken al over ons hoofd getrokken. Daarom moet Huib schreeuwen: ‘Zet je schrap en hou je spullen goed vast!’ Een aanspoelende golf dondert tegen de boot; met een klap drijven we los in het onderstel. Vijfhonderd paardenkrachten grollen. We zijn weg! Bonkend en stampend breken we door de branding, zeewaarts. Af en toe komt de aandrijving morrend uit het water.

Buiswater spuit ziedend over de boot, we worden nat nog voor we in het water liggen. Mijn zwempak is slechts twee en een halve millimeter dik, maar isoleert goed tegen de stijve wind. Kin en wangen voelen de koude waterspetters des te beter. Zout schuim spat om ons heen. Ik zet mijn duikbril op om mijn ogen te beschermen. Een spectaculaire ervaring, deze rauwe boottocht. Eenmaal de motor opgewarmd gaat het gas open en we stuiven soeverein over de grauwe Noordzee, steken de Tuimelaar moeiteloos voorbij. Regelmatig kaatsen we een stuk boven de golven, om met een droge klap weer neer te komen.
Er zijn geen zitplaatsen. Het is niet evident om me staande te houden. Ik hou me vast aan de reling aan het dak van het stuurhuis. Af en toe durf ik één hand los te laten om beter rond te kunnen kijken. Ik zuig het oer-tafereel in me op. We jagen over de woeste Noordzee, gestuurd door een ervaren schipper. Het grommen van de motoren. Het bonken van het dek onder mijn voeten. Het gieren van de koude wind om me heen, het spatwater. De kust vlotjes voorbij zien glijden: eerst nog de hotels en huizen van Cadzand, dan kilometers grauwe duinen onder een pluizige deken van grimmig jagende wolken. Ik ben een van die kleine mensjes aan dek. Nu al een beetje rillerig.
In zee geworpen
Bij rustig weer worden we op het strand afgezet. Tot ons middel in ondiep water wachten we dan op het startsein. Dat is vandaag een moeilijke optie: je recht houden in de branding bij windkracht zes, dan worstelen naar open zee, doorheen de overslaande golven van de branding. Bovendien zijn we nog iets te vroeg. De stroming van het afgaand tij zal zuidwest staan, richting Cadzand, een welgekomen duwtje in de rug. Nu is het nog hoogwater, we moeten het op eigen stuwkracht doen, tot het tij begint mee te werken.
Daarom starten we van op de boot, om krachten te sparen. We controleren onze uitrusting, trekken onze vinnen aan, gaan op de dikke oranje opblaasrand zitten en plonzen een voor een ruggelings het koude water in. Even die schok, het bijna verdovend ijzig bijten in mijn blote gezicht, de massieve frisheid die door mijn pak heen dringt, zelfs een rillerig stroompje water dat een holte in mijn pak vult, in de ronding van mijn onderrug. Niet stil liggen, bewegen, gaan!
Nog hoger lijken de massieve golven, eenmaal ik niet langer bootsman ben, maar zwemmend in zee spartel. We staan niet langer boven het gewoel – we zitten er helemaal in. We zijn gelukkig ervaren en weten hoe het moet: stevig doorzwemmen, vooruitgang boeken, warm blijven! We houden de kust aan onze linkerhand en zetten koers richting Cadzand.
Het is de ruwste zee waarin ik ooit zwom. We zitten voortdurend tussen stevige rollers, die van rechts uit zee komen. Ze stijgen en dalen, en wij met hen mee. Af en toe spoelen schuimkoppen over me heen of geven de golftoppen een doffe klap tegen mijn slaap. De spanband-eindjes van mijn duikbril klapperen in de harde wind, als mijn hoofd uit het water komt. Als ik wil insteken voor de volgende crawlslag, maait mijn arm soms in het ijle omdat de zee onder me even weg is. Soms slaat een langskomende golf mijn uitgestoken arm weg. Om de drie ademteugen moet ik wat water uit mijn snorkel wegblazen.
Dit is geen vlak water om strak en snel in te zwemmen. Ik moet me aanpassen, me overgeven aan ritme van de deining. Mee stijgen en dalen, en tegelijk mijn koers uitzetten. Ik mag niet ‘vechten’ tegen die ‘rot-golven’. Neen, zij zijn eeuwig, ik heb ervoor gekozen om hier ook te zijn en moet ze aanvaarden zoals ze zijn. Een wereld die slechts mijn tweede thuis is en waarin ik als warmbloedige maar eventjes kan verblijven, bewegen, vooruit gaan. Dankzij de tweede huid van mijn zwempak en de stuwkracht van mijn vinnen. En dankzij mijn zwemervaring die me rust geeft en vertrouwen in eigen kunnen.

Schuiven langs de kust
Een radarmast is een van de weinige visuele aanknopingspunten op de kust. Pas veel verder komen de appartementsblokken van Cadzand. In dit watergeweld kan ik me alleen oriënteren als een hoge golf me optilt. Meestal zit ik tussen de golven ingesloten en heb ik geen richtpunt. Niet aarzelen, gewoon doorzwemmen. Ik zwem op het gevoel dat de golven me geven. De deining hoort van rechts te komen, uit een intussen vertrouwde hoek. Ik houd tamelijk goed richting, stuur wat bij als ik nog eens op een golftop beland en overzicht krijg. Eén keer slechts voel ik dat ik verkeerd zit: de golven komen van achteren en stuwen mij vriendelijk wiegend vooruit. Het is echt wel een aangenaam gevoel, bijna bodysurfen… maar dit klopt niet. Ik ben recht naar het strand aan het zwemmen. Ik draai me weer de goede kant op en worstel verder.
Heel, heel geleidelijk komen we er hoogte van de radarmast. Als ik na een hele tijd zwemmen nog eens kijk, zie ik dat ik nog maar een klein stukje opgeschoten ben. Langzaam wordt de hoek tussen de radarmast en Cadzand groter. We krijgen wat meer hulp van de opkomende stroming, al wordt die nooit erg sterk. Het blijft doorzetten om te vorderen; we glijden langzaam voorbij de verre lege stranden. Ik zie nauwelijks wandelaars maar heb natuurlijk niet de luxe dat ik er rustig naar kan uitkijken van op pakweg twee- driehonderd meter in zee. Dan het strandpaviljoen ‘First Waves’ waar je iets kan drinken bij betere weersomstandigheden. We zijn er bijna.
Helemaal alleen in de golven
Aanvankelijk beet de koude in mijn gezicht. Door het zwemmen is mijn bloed sneller gaan stromen, zodat ik het wat warmer krijg. Mijn maatpak dicht uitstekend af; er circuleert nauwelijks water onder. Ik heb op aanraden van Bram een katoenen shirt met lange mouwen als onderkleding aangehouden. Geleidelijk worden handen en voeten kouder, ondanks de handschoenen en botjes, maar het is te doen.
Mijn collega’s verlies ik al snel uit het oog. Aanvankelijk zie ik nog af en toe een reddingsboot. Maar vanaf de tweede helft van de tocht ben ik alleen. Helemaal op mezelf aangewezen voor het zwemmen en oriënteren. Ondanks de eenzaamheid, ondanks de muren van spoelend water, ben ik geen enkel moment ongerust. Mijn conditie is op peil. Ik heb al in zee gezwommen bij windkracht vier of vijf; ik voel dat ik ook dit aankan.
Resoluut en aanhoudend blijven zwemmen. Ik weet dat het langzaam maar zeker gaat, dat de stroming me hoe dan ook zachtjes de goede kant op duwt. Mijn pak houdt me, samen met de inspanning, warm zolang het vandaag moet. Concentreren. Niet verslikken, zorgen dat ik mijn snorkel of een zwemvin niet verlies door een slaande golf. Hoe dan ook zitten we niet ver uit de kust en de KNRM is in de buurt.
Op geen enkel moment ben ik het beu. Bij een maartse wedstrijd in de Ourthe had ik de laatste tien minuten wel eens zo’n kou dat ik dacht: ‘laat het maar voorbij zijn’. In Seneffe vroeger, een wedstrijd van zeven kilometer in een lang en saai kanaal, vond ik het ook wel welletjes geweest aan het einde. Hier blijf ik er bij elke slag zin in hebben.
Wat stuntelig landen
Toch voel ik me dankbaar als ik bij Cadzand kom: alles is goed gegaan, op wat kuitkramp na. Voor me zie ik een houten paal; ik vermoed dat hij het uiteinde is van een nu ondergedompeld en dus onzichtbaar paalhoofd. Om daar niet tegenaan geslingerd te worden, zwem ik wat dieper in zee. Even verder kom ik ter hoogte van de groene metalen mast die er in zee staat; ter hoogte van die mast moet ik aan land gaan. Het is niet goed te zien waar ik zit, door de golven en de verblindend laagstaande winterzon boven land. Ik verwar het sluishuis met het boothuis van de KNRM. Daardoor draai ik te vroeg af en kom in de vaargeul naar de sluis terecht, terwijl Huib had geadviseerd om iets verder op het strand te landen. Ik zwem niet terug, ik waag het erop.
Dichter bij wal worden de golven onstuimiger. Er slaat een breker pardoes op mij neer. Ik word zowat ondersteboven gegooid in de schuimende koude wasmachine en verlies door de klap bijna mijn snorkel. Ik draai me op mijn rug en kan zo de achterop komende golven beter de smiezen houden. Links en rechts houd ik de golfbreker en de houten palen in de gaten. Zo peddel ik gecontroleerd de geul in.
Dan zie ik de eerste supporter staan, die naar me zwaait. Ik probeer op de golfbreker te klimmen, naar hem toe, maar vind geen houvast. Een krachtige golf schuift me als een hulpeloos mensenpoppetje een eindje over het basalt. Gelukkig zijn het gladde blokken; mijn pak blijft gaaf. Wat verder lukt het wel. Ik sta stuntelig op mijn verkleumde voeten. Op het droge moet ik vermoeid weer de volle zwaartekracht ondergaan. De tweede man die ik tegenkom is organisator Maurice Hinsenkamp. Hij tuurt waakzaam over het water met zijn verrekijker en vraagt meteen of ik de anderen gezien heb. Dat is niet het geval; zelfs in een rustiger zee verlies je de andere zwemmers al snel uit het oog.
Een warme douche is na bijna twee uur december-Noordzee niet te versmaden. Ik blijf eronder staan tot de collega-zwemmers binnendruppelen. Ook Leon, die al meer dan twintig jaar Noordzeetochten heeft gezwommen, in alle seizoenen, is enthousiast: de zee was de ruwste die hij ooit meemaakte. Waar hij vroeger maximaal twee uur had gezwommen over ongeveer zes kilometer, had dit vandaag twee en een half uur gevergd.
Zwemmers en redders worden getrakteerd op dikke erwtensoep en warme wijn. Bij het napraten hoor ik dat de boten me waren kwijtgeraakt. Ik lag voorop; ze hadden me nog niet teruggevonden in de golven. Redder Bram, die de strandpost bemande, had me als eerste opnieuw gespot, vanuit zijn gele jeep op de kant, toen ik al bijna weer in Cadzand was.
Nagenieten
Deze belevenis is onvergetelijk; ik blijf nagenieten van mijn mooiste zwemtocht ooit. Mijn ontzag voor de zee heeft nog dieper wortel geschoten. Een mens kan de zee niet overwinnen. Ik kan er hoogstens even in verblijven, me uitleven, ruimte ervaren, me zelfs thuis voelen… Eventjes, met de juiste conditie en met een goede uitrusting, want de mens is geen zeedier. En alleen als de zee vriendelijk is. Dat is ze meestal. Ook vandaag: windkracht zes is nog redelijk speels. Dit was nog heus geen storm waarin de zee vernietigend uithaalt naar onverstandige stervelingen.
Ik kan het niet anders omschrijven. Ik blijf nog veertien dagen ‘high’ van deze ervaring. Ze blijft nog weken nazinderen in mijn lijf. Bij het terugdenken aan de zwemtocht, o zo vaak, ben ik helemaal van de landwereld en zit ik er weer helemaal in, in zee. Het was zo uitzonderlijk, een ervaring die weinig mensen meemaken. Je maakt als kleine mens deel uit van iets groots. Niet als toeschouwer, maar op een heel fysieke, indringende manier was ik in de zee. Helemaal zelf er in. Met vertrouwen in eigen kunnen, maar ook met heel veel respect voor iets wat oneindig veel groter is dan mij.
