De Wijers. Honderden vijvers die zich uitstrekken van Lummen over Zonhoven tot Bokrijk. Loopt ge daar ‘s nachts bij volle maan rond, dan ziet ge spiegelingen in het water. Bij het ijle licht ziet ge vreemde lichtjes doorschemeren. Oogjes staren uit het water omhoog. Als kattenogen die opgloeien in het donker. Luister goed. Gekrijs. Ver en vaag, maar door merg en been gaat het. Genoeg gezien, genoeg gehoord, weg hier! Wees verstandig, luister naar uw opkomende doodsangst, maak u uit de voeten met die gloeiende pook achter uw gat. Ga terug naar Kuringen of Kermt of Zonhoven, met bonzend hart, wilde blik, zweet dat zuur uitwasemt, maar levend en wel. En kom nooit meer in de Wijers bij volle maan.
Soms is er een boer die toch blijft. Altijd een boer. Uit dezelfde familie. Die vertwijfeld blijft zoeken en staren. Die iets anders meent te zien in de glinstering van het water. Maar dan kluisteren de smekende en gillende ogen onder water hem vast. De vreselijke waarheid pakt en verscheurt hem, lost hem nooit meer. Waanzin boort zich in zijn hart. Hij keert terug, zal nog werken, maar nooit meer een woord spreken. Een vrij moment en hij tekent met onbehouwen handen. Steeds die donkere gezichten, langgerekte koppen, open monden. Pakkende kopieën: altijd weer die schreeuw van Munch. De vloek van Herkenrode.
De vloek, uitgesproken door een heks. Die wist: in de abdij hebben ze goede werken gedaan: de zieken verplegen, de armen voeden. Maar volmaakt waren ze niet. Het waren nogal wereldse zusters, soms zelfs van adellijke afkomst. Mooi en levenslustig, niet de kuise cellezusters die ge misschien verwacht. Menig hogere geestelijke heeft hen opgeroepen de regels van de kloostergemeenschap wat beter na te leven. Maar er kwam heel wat volk over de vloer. Een boerenknecht, een jager, of een heer van stand die er naar de mis kwam en en passant een groen blaadje rond zijn vinger wond. Binnen of ergens in een hooimijt. De bezoeker vluchtte niet altijd voor het zingen de kerk uit.
Die bevlekte nonnen moesten op retraite, zodra hun kleed begon op te bollen. Niemand wist waar ze waren, maar ze zaten nooit ver weg. En als hun kind gekomen was, werd het in de Wijers gegooid. Het had nooit bestaan, bestond niet en zou nooit bestaan. Eerst nog krijsen, dol van honger, door iedereen verlaten, bevangen van de kou. Maar al snel ten onder gaand in het smorende water, voor eeuwig naar de sterren starend.
De heks sprak: ‘Schande is niet vermeden, maar tienvoudig opgewekt. Laat die onschuldige kinderen rusten in vrede. Ik vervloek deze vijvers. Wie bij volle maan de rust verstoort, jaag ik weg. Wie blijft, maak ik knettergek voor de rest van zijn ellendige leven.’
Waarom slaat er tot op de dag van vandaag een zonderling soms toch de waarschuwingen in de wind? Altijd een boer van dezelfde stamboom. Hij blijft bij volle maan dolen. Mieke van boer Thijs heeft het afgeluisterd en aan mij verteld.
Ja, bij een boerenfamilie uit Kuringen vertellen ze stillekens nog een ander verhaal over Herkenrode. Dat was in de hoogdagen een heel rijke abdij. De Franse staat heeft alle gebouwen en landerijen verkocht, na de revolutie. Maar Jozefien Gonnekoer, zij was de laatste abdis, heeft het geld kunnen wegsteken, zelfs nog vermeerderd door de inboedel te verzilveren.
Dat zilver, dat is niet naar Frankrijk gegaan. De Belgen zouden in opstand komen en de Abdij weer opstarten, als ‘t God belieft, dacht Gonnekoer. Massa’s zilverstukken heeft ze in de Wijers gegooid, om ze later te kunnen opvissen. Jannis, hun trouwste boerenknecht, heeft geholpen. Hij heeft gezwegen tot op zijn sterfbed, Napoleon was toen al lang verslagen. Hij reutelde over een schat. Verward, niet meer wetend welke vijver. Wel dat hij drie keer met een kruiwagen bijna tot in Zonhoven had moeten lopen. Iets over volle maan, over bodem en terugvinden. Tweehonderd jaar werd dat verder verteld in de familie. Bij het turfvuur in de open haard. Dan bij de Leuvense stoof. Nu bij de gloeiende radiator.
Naschrift
November 2019. Met grote machines zijn natuurbeheerders vijvers aan het ‘heraanleggen’. Ze rooien bomen die gegroeid zijn aan de randen en op de taluds. Ze graven slib af over het hele oppervlak. Grondgebied Hasselt, tegen de grens met Zonhoven. De grote middelen. Vrachtwagens, zelfs tractoren zouden hopeloos wegzakken in de zompig zwarte smurrie. Dus met graafmachines en kipwagens op rupsen blijven ze koteren en ploeteren en graven.
Zogezegd voor meer biodiversiteit, voor grotere en propere vijvers, voor de roerdomp en andere zeldzame vogels. Wij weten beter. Iemand in de top van die vereniging moet gehoord hebben van dat zilver. Koorts. Nog maar één doel: dat zilver binnen halen. Hij heeft aan de touwtjes getrokken en die hele organisatie voor zijn kar gespannen. Mist gespuwd. Onder valse dekmantel van natuurliefhebberij heeft hij het slotoffensief ingezet om kruiwagens vol intussen zwart uitgeslagen zilver binnen te halen.
Overdag slaat hij alles gade, van in het struweel. Na het donker komt hij terug. Koortsig om zich heen kijkend. ’s Nachts loopt hij met zijn metaaldetector tussen de bergen afgegraven zwarte smurrie. Geen medelijden. Hij kan het huilen horen, maar hij is al doof en blind en half zot. Knettergek zal hij worden, die geldwolf. Binnenkort is het volle maan.
Maar die arbeiders. Die ploeteren en graven. In hun cabines hebben ze geen oog voor de maan die soms nog staat of al opkomt bij deze donkere dagen. Ze zijn blind voor de waarschuwend blikkerende kinderogen. Hun gierende dieselmotoren overstemmen alles. Ze horen het gekrijs niet dat luider klinkt naarmate ze dit kerkhof verpletteren en ontheiligen.
Wat moet ik doen?
