Antonio keek op zijn horloge. Het enige wat hem nog restte: dat ouderwetse zakhorloge van zijn grootvader. De tijd ging te snel voor hem, die laatste dagen. Alleen als hij vastberaden naar de wijzerplaat keek, leek de tijd even te aarzelen. Keek Antonio weg, dan was weer een kwartier in rook opgegaan, een uur, een halve dag soms, als hij mijmerend voor zich uit had zitten staren. De tijd was geen bondgenoot meer.
De eerste week heeft hij gezwoegd, voor zijn doen toch. Hij heeft een aantal uren gewerkt. Afgewassen in pizzeria L’Arca. Wat klusjes hier en daar. Veel bracht het niet op. Wat groezelige biljetten, zorgvuldig weggestopt in een sigarettenpakje, veilig opgeborgen in zijn rechter broekzak. Die was tenminste nog heel. Het was lang niet genoeg voor de reis. Het verpletterende besef: zo zou hij er niet geraken, niet in de tijd die hij nog had.
Dan maar een wanhoopspoging. Proberen het geld te vermenigvuldigen met een flinke gok, als in een casino. Alles inzetten in de hoop dat… Hij had het wel eens gezien op TV. ‘All in!’ zeiden dan verzorgde mannen in smoking, in een geladen spanning, tegelijkertijd gespeeld achteloos. Antonio trok zijn beste T-shirt aan, een van Bikkembergs. Het moet ooit duur geweest zijn, nu bijna een vod, maar slechts één gat: het beste kledingstuk dat hij had. Voor deze gelegenheid het best passend.
Tegenover hem stond geen croupier, maar die vent van de krantenwinkel. Niemand noemt hem bij zijn voornaam. ‘Heb je het groot lot gewonnen?’ vroeg signore Ricci. Hij wist dat Antonio wel eens een kraslot kocht, als hij een zelden keer wat geld over had van zijn uitkering. Of als hij een extraatje gescoord had. Af en toe een paar euro. Nooit het stapeltje verkreukelde bankbriefjes dat hij nu op de toonbank legde, hoe dun ook.
Verbeten lach van Antonio. Uiterlijk dapperder dan hij zich voelde, maar met rechte rug zou hij het geluk afdwingen. ‘Nee, maar ik ga het winnen. Vandaag.’
Met een plat stapeltje nagelnieuwe kraslotjes liet hij een wenkbrauwfronsende signore Ricci achter. Weer naar de straat. Overdag al jaren zijn habitat. Een bank op het plein. Een feestelijke moment, een heel stapeltje mogelijkheden. Meer dan ooit dat bonzende hart, want het was niet alleen van kunnen, die dag, het was van moeten.
Het horloge had hem altijd vergezeld. Het zou hem ook nu vergezellen, in deze bittere tijden. Het vormde de navelstreng met zijn familie. Hij wilde het zo graag verder geven, daarom moest het hem geluk brengen. Met een bezwerende blik op de wijzerplaat begon Antonio te krassen. Hij durfde geen kus te geven op het tikkende kleinood om het geluk af te dwingen. Dat horloge, dat was ook de tijd, en hij hield niet meer van de tijd. Elke zonsondergang tikte weer een dag weg. ‘Het kan snel gaan’, had de dokter gezegd, die hem gratis onderzocht. ‘Hoe snel is moeilijk te zeggen.’
Die triomf! De inzet terug gewonnen. Zelfs de helft méér. Lachte het geluk hem eindelijk toe? Hij ging terug, pokerface. Weer all-in. Hij wisselde alles in voor nieuwe krasloten.
Die neergang. Nauwelijks iets gewonnen. Die schamele winst weer ingezet. Alles kwijt. Zijn stemming was nog donkerder dan de avond die viel.
En weer keek Antonio hoeveel tijd hij nog had. Het horloge heeft hij zelfs al eens laten repareren. Het loopt nagenoeg perfect, ondanks zijn ouderdom, slechts om de week moet hij het ietsje gelijk zetten op de kerkklok. ‘Ik geef er jou 50 Euro voor’, plaagde Giovanni wel eens, goed wetende dat dat veel te weinig was voor Antonio. Dit erfstuk was hem veel meer waard, ondanks zijn armoede.
De tweede week kon hij niet meer werken. Hij was ziek. Zwak. Of was het zijn zwarte gevoel dat hem door de dag sleepte? Geen moment ging het uit zijn hoofd, dat hete besef van wanhoop dat zijn borst in de tang hield en nauwelijks nog een plekje vrij hield in zijn hoofd. Nog nooit had Antonio zo veel geld uitgegeven op één dag. Nog nooit. En het had hem niets gebracht. Het geld was verdampt, zijn kans vergooid.
Geen andere keuze. Werken ging niet meer. Die tweede week had Antonio dan maar zijn spaargeld ingezet. Nou ja, spaargeld. Het was niet veel meer dan hij in die eerste week verdiend had. Nauwelijks enkele biljetten, voor de grootste nood bewaard. Hij wilde haar zo graag eens zien.
Het krassen gebeurde met schokjes en rukjes, op zijn schoot. Opwinding over het idee dat hem voor ogen stond. Dit keer eens echt winnen, een serieus bedrag, hij had niet méér nodig dan geld voor één vliegticket. De rukjes van zijn arm, het schokken van zijn schouders, het bracht geen bevrediging. Hij huilde niet. Antonio had geen tranen meer. Hij was nooit een janker geweest. Ook niet toen de lotjes weer nauwelijks iets opbrachten, geld dat weer verdampte, doffe stompen in zijn maag, gegokt en hopeloos verloren.
De derde week had hij geld geleend. Niet alles, dat zou te veel zijn. Maar genoeg voor een nieuw casinobezoek. Het laatste. Het moest lukken. Hij had Giovanni in vertrouwen genomen. ‘Wat zeg je me nu, man. Jij hebt een dochter? Een Chileense nog wel. Jij geniepige! Een vurige toeriste versierd toen je nog jong en mooi was. Dat is lang geleden, haha. En je wil haar graag bezoeken? Hoeveel heb je nodig?’
‘Ik heb wat spaargeld. Nog 100 euro en ik kan een vliegticket boeken. Heen en terug naar Santiago.’ Een rottige leugen. Antonio wist het. Giovanni wist het. Maar Gio was te verbouwereerd. Hij besefte dat er iets loos is. Dit was niet de Antonio die hij kende, die hij al decennia kende, die graag een glas wijn dronk, maar nooit iets extravagants heeft gedaan. Deze wanhoop kende hij niet. Tja, die dochter… Si non e vero, e bene trovato. Misschien bestond ze echt, dat kind op die beduimelde foto, dat kind dat intussen een vrouw moest zijn. Ach, honderd euro…
Toch nog even: ‘Je bent toch niet gokverslaafd geworden? Ik hoor dat je de omzet van de krantenwinkel wat hebt aangedikt, de voorbije weken.’
‘Nee, die lotjes moesten de hefboom zijn, ze moesten geld opleveren voor de reis, maar dat is mislukt. Ik zal het nooit meer doen. Ik neem al mijn spaargeld op. Nog wat geld van jou, en kan ik het vliegtuig nemen in Milaan.’
Het krassen viel zwaar en deed pijn. De krassen drongen door het papier heen, tot diep in zijn huid, tot in zijn ziel. Nooit meer te helen, maar hij kon niet anders dan verder schuren en schokken en schrapen. De schamele opbrengst weer binnen brengen voor nieuwe lotjes. De tijd verstilde tot er niets meer overbleef van de dag, die vruchtelozer en bodemlozer was dan alle voorgaande. Het leek alsof signore Ricci hem opzettelijk de verkeerde biljetjes gaf en het geld in eigen zak stak. En dat besef dat het grootste verraad van hem kwam, hij verried zichzelf en zijn vrienden, een laffe dolk die hij in eigen hart stak en in dat van zijn makker, steken die deden bloeden en die hem leeg achter lieten. Alles was verbrand, zijn allerlaatste kans.
‘Bastardo! Faccia da culo! Je had helemaal geen eigen geld. Je hebt gewoon mijn geld uitgegeven, over de balk gesmeten, in de rivier gegooid. Non ti voglio più vedere. Ik wil jou nooit meer zien.’
Giovanni was woest. Hij had het natuurlijk gehoord van de krantenboer. Drie weken achter elkaar zo veel geld uitgeven aan lotjes, dat was ongekend voor Antonio. Dat ging rond in het stadje. Hij was een gokverslaafde geworden, zo werd gefluisterd, die alle mogelijke verhaaltjes verzon om aan geld te geraken. Alle ogen staarden hem na. ‘Geef hem geen geld. Hij is niet te vertrouwen.’
De vierde week heeft Antonio gebedeld, niet meer occasioneel maar intens. Niet bij de dorpsgenoten uiteraard: bij de toeristen. Overal waar veel toeristen kwamen, vooral op de Piazza Rodolfo Pestalozzi. De dorpsbewoners waren niet echt verwonderd; hij heeft het wel eens meer gedaan. Als hij zin had in een fles Chianti die hij niet kon betalen van zijn schamele bijstand. De mensen zien het niet graag, ze vinden dat het de toeristen afschrikt. Onzin. Een minderheid geeft een cent. Maar het levert altijd iets op. En trouwens, hij dringt nooit aan als een toerist het hoofd schudt. Antonio gaat dan weer verder en houdt zijn hand op bij de volgende. De toeristen hebben Antonio nooit in de steek gelaten. Een toerist naait je nooit. Hij negeert je soms, dat wel. Zijn dorpsgenoten echter… Als ze de kans zien om je te beschimpen als leegloper of luiwammes, dan zullen ze het doen.
Ze hadden met hem willen praten, maar dat duurde niet lang: hij kende maar een paar woorden Inglese en zij nauwelijks méér Italiano. ‘May God bless you’, zeiden ze allebei bij het afscheid. Die dikke Amerikaan en zijn barmhartige vrouw, die hun schuldgevoel afkochten met een royale aalmoes. Antonio had hen de weg gewezen, toen ze vroegen naar het Palazzo Salis. Ze waren nauwelijks te verstaan met hun afschuwelijke accent, maar dat had hij begrepen. Hij had letterlijk moeten wijzen want iets uitleggen in hun taal, dat kon hij dus niet. Ze hadden zijn armoede gezien, zijn opgehouden hand en goddank het smeken van zijn ogen. Het kruisje om zijn nek had de doorslag gegeven. Gelovigen onder elkaar. Rijk en arm. De geslaagden en die minder fortuinlijke. Je moet het ze nageven: als ze iets geven, die Yankees, dan geven ze goed.
Nu liggen ze weer voor hem te blinken. Tien nagelnieuwe krasbiljetten, glad en geurloos papier, flashy blinkende kleurtjes, het verlokkelijke zilverlaagje. Een bingo-kast zonder ingebouwde lichtjes. Kleuriger dan een vliegticket, maar misschien wel de sleutel ertoe. Hij neemt ze in zijn hand, streelt ze. Het papier is koud en nog gladder dan de huid van de vrouwen die hij ooit genomen heeft. Hopelijk heeft het cellulose onder de inkt een beter karakter. Dit keer winnen! Hij schudt zijn sombere gedachten van zich af, geeft dit keer wel een kus op zijn zakhorloge – breng me geluk dit keer! – hij recht zijn rug, ademt in, en begint te krassen.
