Antonio keek op zijn horloge. Het enige wat hem nog restte: dat ouderwetse zakhorloge van zijn grootvader. De tijd ging te snel voor hem, die laatste dagen. Alleen als hij vastberaden naar de wijzerplaat keek, leek de tijd even te aarzelen. Keek Antonio weg, dan was weer een kwartier in rook opgegaan, een uur, een halve dag soms, als hij mijmerend voor zich uit had zitten staren. De tijd was geen bondgenoot meer.
De eerste week heeft hij gezwoegd, voor zijn doen toch. Hij heeft een aantal uren gewerkt. Afgewassen in pizzeria L’Arca. Wat klusjes hier en daar. Veel bracht het niet op. Wat groezelige biljetten, zorgvuldig weggestopt in een sigarettenpakje, veilig opgeborgen in zijn rechter broekzak. Die was tenminste nog heel. Het was lang niet genoeg voor de reis. Het verpletterende besef: zo zou hij er niet geraken, niet in de tijd die hij nog had.
