Krassen (klassiek kortverhaal)

Antonio keek op zijn horloge. Het enige wat hem nog restte: dat ouderwetse zakhorloge van zijn grootvader. De tijd ging te snel voor hem, die laatste dagen. Alleen als hij vastberaden naar de wijzerplaat keek, leek de tijd even te aarzelen. Keek Antonio weg, dan was weer een kwartier in rook opgegaan, een uur, een halve dag soms, als hij mijmerend voor zich uit had zitten staren. De tijd was geen bondgenoot meer.

De eerste week heeft hij gezwoegd, voor zijn doen toch. Hij heeft een aantal uren gewerkt. Afgewassen in pizzeria L’Arca. Wat klusjes hier en daar. Veel bracht het niet op. Wat groezelige biljetten, zorgvuldig weggestopt in een sigarettenpakje, veilig opgeborgen in zijn rechter broekzak. Die was tenminste nog heel. Het was lang niet genoeg voor de reis. Het verpletterende besef: zo zou hij er niet geraken, niet in de tijd die hij nog had.

Doorgaan met het lezen van “Krassen (klassiek kortverhaal)”

Sprankel en de jongen met het spleetje tussen zijn tanden (cultuursprookje)

Er was eens, nog niet zo heel lang geleden, een jong meisje. Iedereen noemde haar Sprankel, omdat ze zo levendig en vrolijk was. Eigenlijk was ze wel mooi, al vond ze zichzelf niet zo bijzonder. Ze was een lieve kleuterjuf. Ze had een heleboel kindjes in de klas, maar nog altijd geen vriend, laat staan een man. Soms werd ze daarom wel eens stil en verdrietig. Met papier en schaar wist ze zich handig, maar met de mannen niet zo erg.

Ooit had ze van haar oma een grote toverspiegel gekregen. ‘Als je later geen man zou vinden, dan kan je een wens doen voor de spiegel.’ Dat had het meisje weggelachen, toen. Als ze al een man nodig had, dan zou ze er zelf wel een vinden. Maar nu haalde ze toch dat stuk antiek van de zolder. Toen ze er het stof en spinrag afveegde, begon de spiegel te spreken en vragen te stellen. Daar schrok Sprankel wel van. Het was gelukkig een vriendelijke stem, het leek wel haar overleden grootmoeder.

Doorgaan met het lezen van “Sprankel en de jongen met het spleetje tussen zijn tanden (cultuursprookje)”

De geheimen van Herkenrode (sage)

De Wijers. Honderden vijvers die zich uitstrekken van Lummen over Zonhoven tot Bokrijk. Loopt ge daar ‘s nachts bij volle maan rond, dan ziet ge spiegelingen in het water. Bij het ijle licht ziet ge vreemde lichtjes doorschemeren. Oogjes staren uit het water omhoog. Als kattenogen die opgloeien in het donker. Luister goed. Gekrijs. Ver en vaag, maar door merg en been gaat het. Genoeg gezien, genoeg gehoord, weg hier! Wees verstandig, luister naar uw opkomende doodsangst, maak u uit de voeten met die gloeiende pook achter uw gat. Ga terug naar Kuringen of Kermt of Zonhoven, met bonzend hart, wilde blik, zweet dat zuur uitwasemt, maar levend en wel. En kom nooit meer in de Wijers bij volle maan.

Doorgaan met het lezen van “De geheimen van Herkenrode (sage)”

Verdubbelde kracht (reisverhaal)

Over reizen en roken

De eerste sigaret van de dag is de heftigste. ‘s Morgens vroeg heb ik nog geen behoefte aan een rookstok, maar tegen een uur of elf jaagt mijn hartslag onherroepelijk omhoog. Ik begin te smachten naar nicotine en ik weet dat ik aan die drang zal toegeven. Nog voor de aansteker schampt, zet mijn lijf zich al schrap voor wat gaat komen: die wilde sensatie van de eerste sigaret. Het inhaleren stuwt mijn bloed bonzend en wervelend door mijn aderen en drijft het zweet uit mijn poriën. Even is het bijna onaangenaam heftig; meteen daarna valt alles in de vertrouwde plooi. De kop is eraf, ik ben een nieuwe rokersdag begonnen. Voor een paffer is mislukken een gewoonte.

Doorgaan met het lezen van “Verdubbelde kracht (reisverhaal)”